Fountainhead raakt hart en hoofd

Veel politiek toneel dit jaar in de zalen én de lijstjes, zie ‘The Fountainhead’, ‘Jeremia’ en ‘Gavrilo Princip’. Maar er is ook alle lof voor frisse klassiekers als ‘Who’s afraid...?’, ‘Hamlet vs. Hamlet’ en ‘Thyestes’.

Halina Reijn als Dominique Francon enAus Greidanus jr. als Peter Keating in de voorstellingThe Fountainhead van Toneelgroep Amsterdam. Foto jan versweyveld

Zeven jaar wilde Ivo van Hove al een toneelbewerking maken van Ayn Rands lijvige ideeënroman The Fountainhead (1943). Je zou het een zegen kunnen noemen dat het hem pas laat lukte om de rechten te krijgen. Want het vereist een meesterhand om Rands granieten geloofsleer tot transparant, vitaal toneel te maken.

Van Hove slaagt fenomenaal: The Fountainhead was het grootste succes van Toneelgroep Amsterdam dit jaar; alle avonden in Amsterdam uitverkocht, een daverend onthaal op het Festival d’Avignon en bijna uitsluitend juichende recensies, tot in Le Monde aan toe. Twee keer prijkt The Fountainhead hier bovenaan de lijstjes.

Rands kloeke roman telt bijna 800 pagina’s en schiet heen en weer tussen soap en ultrarechts pamflet. De anekdote over de twee concurrerende architecten Peter Keating en Howard Roark, hun successen en mislukkingen op het werk en in de liefde, is goed genietbaar en zelfs meeslepend. Onder sommige kunstenaars geldt het boek als een bijbel, vanwege de compromisloze kunstopvatting die Rand erin uit.

Maar de onderliggende ultraliberale ideologie, die zich later in haar schrijfcarrière nadrukkelijker zou manifesteren, is zo nu en dan onverdraaglijk. Haar onderscheid tussen de scheppende en de tweedehands mens neigt naar gevaarlijk, en haar allergie voor gemeenschapsdenken is soms ronduit misselijkmakend. „Geen mens kan leven voor een ander”, schrijft ze. „Zo’n relatie brengt alleen wederzijds bederf teweeg.”

Daarnaast introduceert Rand veel te veel personages, die met uitzondering van de hoofdfiguren vaak slechts bordkartonnen belichamingen van haar politieke ideeën zijn. De lezer zakt zo geregeld weg in Rands ideologische moeras.

Maar Van Hove overkomt dat niet. Met vaste hand houdt hij alle verhaallijnen en figuren bij elkaar, en laat de vele scènes vlot in elkaar overvloeien, terwijl het geheel tegelijk luchtig en soms zelfs aangenaam chaotisch blijft. Van de bordkartonnen personages weten hij en zijn topcast stuk voor stuk echte mensen te maken.

Ook Roark en Keating krijgen een diepere laag. De door Rand innig bewonderde Roark (een even aardse als mooi onpeilbare Ramsey Nasr) is hier stukken menselijker; Keating, bij Rand mikpunt van hoon, verdient dankzij het hoopvolle spel van Aus Greidanus lang de sympathie van het publiek. Hun beider love interest, de mysterieus-getroebleerde Dominique Francon, wordt ondanks haar complexe gevoelsleven hoogst geloofwaardig vertolkt door Halina Reijn, en Hans Kesting als de enigmatische Gail Wynand zorgt verrassend voor de liefdevolle, menselijke noot.

Ook intellectueel levert Van Hove een topprestatie. Hij weet Rands meedogenloze doctrine om te buigen tot een menselijk dilemma. Kun je volledig autonoom zijn, zonder te zwichten voor macht of massa? En zo ja: is dat wenselijk? Brengt het egocentrische individu de samenleving verder vooruit dan de polderende sociaal-democraat? Eendimensionaal pamflet werd dubbelzinnig discussiestuk. Zo raakt The Fountainhead hart én hoofd.

De voorstelling kwam precies op het goeie moment – zowel binnen het oeuvre van Van Hove, als in de tijd: een moeilijke periode voor het theater. Ja, er was de prozaïsche rechtenkwestie, maar toch: de timing maakte deze voorstelling tot een statement, een ‘signature piece’.

Als gevolg van de bezuinigingen en de crisis worstelen veel kunstenaars, inclusief vermoedelijk Van Hove, met de vraag of, en hoe, ze hun artistieke autonomie kunnen combineren met publieksbereik. Kan een radicaal, compromisloos, volstrekt eigen kunstwerk een groot publiek bereiken en bekoren? Expliciete antwoorden blijven in The Fountainhead uit. Maar de voorstelling zelf is het antwoord.