Een New Yorks massagraf

Een van de meest duistere geheimen van New York is Hart Island. Op dit eiland verdwijnen zwervers, illegalen en doodgeboren baby’s anoniem in een graf. Kunstenares Melinda Hunt brengt de verhalen van deze ‘vergeten’ mensen in beeld.

Monique Hofman is thuis als ze het telefoontje krijgt. Haar vader ligt in het ziekenhuis. In New York. De ambulancebroeder aan de andere kant van de lijn vraagt haar om zijn medische gegevens. Dan valt er plotseling een stilte. „I’m sorry miss. Your father has passed.

Hofman weet dat ze er alleen voor staat. Broers of zussen heeft ze niet, haar moeder is tien jaar eerder overleden. Na haar dood ging er een knop om bij haar vader, vertelt ze. „Hij wilde geen verplichtingen meer, geen verantwoordelijkheden. Hij zei: en nu ga ík leven.” In de zomer van 2010 vertrekt Willem Pieter Hofman – Pim – met zijn nieuwe vriendin naar New York. waar hij een paar dagen later op 66-jarige leeftijd aan een hartaanval overlijdt.

De vader van Monique Hofman heeft geen reis- of levensverzekering. De verzekeringen die hij heeft, blijken niet toereikend om zijn lichaam terug naar Nederland te vliegen. Zelf voor de kosten opdraaien is geen optie – Hofman zit in de schuldhulpverlening.

Op 23 juni 2010, een dag na het overlijden van haar vader, doet Hofman het moeilijkste dat ze ooit heeft gedaan. Ze schrijft een officiële brief aan de staat New York waarin ze afstand doet van het lichaam van haar vader. Zijn stoffelijk overschot, zo weet ze inmiddels, zal worden begraven op Hart Island.

Hofman heeft nog nooit van de plek gehoord. Op YouTube vindt ze een filmpje van Channel 7 Eyewitness News, opgenomen in 1978. Een verslaggever kijkt ernstig in de camera. Op de achtergrond zijn mannen bezig doodskisten van een vrachtwagen in een greppel te laden. Hofman weet niet wat ze ziet. „Die beelden... Het was het meest verschrikkelijke dat ik… En dan te bedenken dat mijn vader… Dit kon gewoon niet.”

Een miljoen doden

Hart Island is een van New Yorks best bewaarde en meest duistere geheimen. Sinds 1980 zijn er op het eiland in het noordoosten van de stad zeker 62.000 mensen begraven in massagraven. Het totale aantal, schreef The New York Times, nadert waarschijnlijk een miljoen.

Wie zoekt naar informatie over Hart Island vindt slechts een handjevol artikelen. In de publicaties duiken dezelfde grimmige feiten op. In 1868 koopt de gemeente New York het eilandje van 101 acre (iets meer dan vierhonderd vierkante meter) voor 75.000 dollar over van een rijke familie uit de Bronx. Door de jaren heen zijn op Hart Island onder meer een armenhuis, een hospitaal, een interneringskamp, een tuchtschool en een raketbasis gevestigd. In 1976 nemen de gevangenisautoriteiten het eiland over. In 1991 worden de laatste gevangenissen er gesloten zodat het volledige eiland als kerkhof dienst kan doen.

Ieder jaar arriveren ongeveer 1.500 doden op Hart Island. Zwervers, illegale immigranten, doodgeboren baby’s – vaak regelrecht uit het ziekenhuis. Hun verhalen verschillen, maar hun lot is hetzelfde. Hun lichamen worden in simpele houten kisten door gedetineerden begraven op Potter’s Field. Op de zijkant van iedere kist wordt een nummer en de naam van de overledene geschreven, als die bekend is. Soms staat er alleen ‘limbs’, dan bevat de kist geamputeerde lichaamsdelen.

De kisten worden opgestapeld in rijen van zes, drie- of vijfhoog. 150 kisten vormen samen een massagraf, dat één witte grafsteen krijgt.

Hoe kon Hart Island zo lang voor de wereld verborgen blijven? Die vraag houdt Melinda Hunt al ruim 25 jaar bezig. De 56-jarige beeldend kunstenares uit New York is de oprichter van het Hart Island Project, een organisatie die als doel heeft het eiland en zijn verhalen onder de aandacht te brengen. Deze maand werd een nieuw project voltooid: op de website hartisland.net is een archief geopend waar de overleden van Hart Island herdacht kunnen worden. Bezoekers van de site kunnen verhalen, foto’s, gedichten, video’s en ingesproken berichten achterlaten zodat hun herinneringen aan de doden niet verloren gaan. Aan iedere persoon is een klok gekoppeld, die tikt vanaf het moment dat de dode is begraven. Op het moment dat er een verhaal wordt achtergelaten, stopt de klok met tikken.

Het is ironisch, zegt Hunt vanuit New York, dat juist in Amerika, land of the free, mensen het lastig vinden om geconfronteerd te worden met het verhaal van Hart Island. „In de Verenigde Staten is iedereen gericht op persoonlijke prestaties. Als je een mislukking bent, wil niemand daar over praten. Begraven worden in een anoniem graf op een beschamende plek… Tja, dat is eigenlijk het tegenovergestelde van de Amerikaanse Droom.” Het is om deze reden dat ze voor het uitvoeren van haar meest recente project op zoek ging naar buitenlandse partijen. Studio Airport, een jong ontwerpbureau uit Utrecht, kreeg de opdracht voor het ontwerp van de site. De software werd ontwikkeld door de Nederlandse softwarestudio Inspire. Beiden werkten tweeënhalf jaar aan het project. De kosten, zo’n 50.000 dollar zijn grotendeels betaald met subsidie van de staat New York.

Honderden baby’s in schoenendozen

Hunt hoort voor het eerst van Hart Island aan het eind van de jaren tachtig, als ze een cursus geeft aan de Staatsuniversiteit van New York. Een van haar studenten vertelt een verhaal over honderden baby’s die op Hart Island worden begraven in schoenendozen. Het beeld laat haar niet meer los. Ze neemt contact op met het Department of Corrections met de vraag of ze foto’s van het eiland kan bekijken.

Het duurt weken voordat Hunt toegang krijgt tot het archief. Maar in de tussentijd is haar belangstelling voor het mysterieuze eiland alleen maar toegenomen. Ze zoekt contact met Joel Sternfeld, een landschapsfotograaf die ze kent uit haar studietijd aan Yale. In juni 1991 krijgen Hunt en Sternfeld, bij hoge uitzondering, toestemming om te fotograferen op Hart Island. Het zal nog tot november duren tot ze daadwerkelijk voet op het eiland zetten. „We wilden een boek publiceren, dus we hadden uitgebreide toegang nodig”, zegt Hunt. „De autoriteiten hadden daar weinig begrip voor.” Drie jaar later wordt het project afgerond.

Decennialang is Hart Island niet toegankelijk voor publiek. Dat verandert in 2007, het jaar dat er een documentaire verschijnt van Hunt, Hart Island: An American Cemetery. Een van de hoofdpersonen is slachtoffer in een moordzaak, en in het proces wordt een dossier met zijn begrafenisgegevens als bewijsmateriaal aangedragen. Hunt staat perplex. Haar is altijd verteld dat er geen gegevens uit die tijd bestonden. Ze neemt contact op met haar advocaat. „Als je wilt”, zegt die, „kunnen we alle dossiers in handen krijgen”.

In 2008 krijgt Hunt via een beroep op de Freedom of Information Act 1.403 pagina’s met burial records in handen. De pagina's bevatten lijsten van alle begrafenissen tussen 1985 en 2007. Een tweede verzoek is eveneens succesvol en zo komen ook de archieven van 1 september 1977 tot en met 31 december 1984 in bezit van The Hart Island Project. De jaren erop wordt hard gewerkt aan een plan om de gegevens voor iedereen toegankelijk te maken.

Inmiddels hebben de autoriteiten de voorwaarden voor het bezoeken van Hart Island versoepeld. Herdenkingsdiensten voor nabestaanden worden nu sporadisch toegestaan en familieleden van mensen die op het eiland zijn begraven mogen erheen voor zogeheten closure visits. Iedere derde donderdag van de maand vertrekt vanaf City Island een veerpont die nabestaanden naar Hart Island brengt. Ze mogen echter niet verder dan the gazebo, een soort tuinhuisje dat zich ver buiten het zicht van de graven bevindt.

Melinda Hunt, die het als haar werk beschouwt om onzichtbare plekken zichtbaar te maken, wil blijven strijden voor meer openheid. Op de website van The Heart Island Project zijn nu zo’n twintig verhalen achtergelaten. De vader van Monique Hofman staat er niet tussen.

Zeven weken na zijn dood voltrok zich een een klein wonder, vertelt Hofman: ze werd gebeld door een mortuarium in New York. Of ze al besloten had wat ze met het stoffelijk overschot van haar vader wil doen? De brief waarin ze afstand doet van zijn lichaam blijkt nooit te zijn aangekomen. De verzekeringsmaatschappij heeft ondertussen laten weten onder bijzondere voorwaarden toch een bedrag uit te keren, genoeg om haar vader te laten cremeren en zijn as te vervoeren naar Nederland. Op 24 augustus 2010 komt de urn aan. „Net op tijd”, zegt Hofman. „Ze stonden op het punt mijn vader op de ferry te laden. Dan had ik hem misschien wel nooit meer teruggevonden.”