Holle boom met vleermuizen was bron van dodelijke epidemie

Foto AP

Een grote holle boom in het Guineese dorpje Meliandou was waarschijnlijk de bron van de ebola-uitbraak in West-Afrika. In de boom leefden mogelijk duizenden vleermuizen, die het virus bij zich zouden kunnen dragen. Dat schreven Duitse onderzoekers onder leiding van epidemioloog Fabian Leendertz van het Robert Koch Instituut in Berlijn gisteren in EMBO Molecular Medicine.

Direct bewijs dat het ebolavirus vanuit een vleermuiskolonie in de bewuste boom oversprong op mensen, ontbreekt. Van de boom rest alleen nog een verkoolde stomp; een week voor het onderzoeksteam arriveerde, brandde hij door onbekende oorzaak af.

Maar de locatie van de boom, verhalen van dorpsbewoners en DNA-onderzoek, wijzen allemaal in de richting van deze plek als het vertrekpunt van de dodelijke epidemie die al aan ruim 7.800 mensen het leven kostte.

De boom stond even buiten het dorp op vijftig meter afstand van het huis van het eerste slachtoffer van de ebola-epidemie in West-Afrika, de tweejarige Emile Ouamano die in december vorig jaar overleed. Kinderen uit het dorp gebruikten de boom met zijn grote opening tussen zijn plankwortels als speelplek, en vingen er wel eens vleermuizen. Soms roosterden ze die boven een vuurtje en aten het dier op. Het is niet waarschijnlijk dat peuter Emile daaraan zelf meedeed, maar hij kan zo indirect besmet zijn geraakt, schrijft het team van Leendertz.

De onderzoekers vingen in en rond het dorp 169 vleermuizen behorend tot 13 verschillende soorten, maar geen ervan bleek geïnfecteerd met het ebolavirus.

In de as rond de uitgebrande boom troffen de onderzoekers echter nog wel DNA van een insectenetende vleermuis, Mops condylurus, de Angola vrijstaartvleermuis. Van deze soort is eerder vastgesteld dat hij het ebolavirus kan verspreiden. De dorpelingen vertelden dat het kort na de brand in de boom van dit soort ‘vliegende muizen’ had ‘geregend’.