Zo willen we het, totdat het vlees iets meer kost

Je kon het vermoeden, maar het is nu ook wetenschappelijk aangetoond: veel Nederlanders kiezen met overtuiging voor dierenwelzijn, behalve als het erop aankomt: in de winkel. Boeren vragen zich af of diervriendelijker werken wel loont.

Wat boeren ook doen om het welzijn van hun dieren te verbeteren, de meeste burgers zijn er niet van onder de indruk. Sterker nog, áls boeren diervriendelijker gaan werken, ziet de maatschappij nauwelijks verschil met de traditionele ‘plofkippenboer’ of varkenshouder.

Dat concluderen Tamara Bergstra en Eva Gocsik in hun promotieonderzoeken, die zij vlak voor Kerst verdedigden aan de universiteit in Wageningen. Bergstra onderzocht de houding van Nederlanders ten aanzien van de varkenshouderij. Die blijkt met een flink imagoprobleem te kampen: zo’n 93 procent van de Nederlanders staat negatief tegenover de varkenshouderij.

Boeren zijn teleurgesteld omdat ze wel degelijk tegemoetkomen aan de zorgen in de maatschappij, bijvoorbeeld door dieren meer leefruimte te geven, maar dat vertaalt zich kennelijk niet in een beter imago.

Gocsik, die bekeek hoe de veehouders zelf staan tegenover dierenwelzijn, stelt dat boeren direct rekening houden met de bedrijfsmatige gevolgen. „De boer begint meteen te rekenen. Kan hij dit financieel gezien opbrengen? Is er wel voldoende grond om de dieren meer ruimte te geven? De consument heeft dat niet door; hij oordeelt vrijblijvend.”

Staartjes knippen

Burgers weten volgens Bergstra niet waarom veehouders bepaalde keuzes maken. „Een boer vindt het ook niet leuk om staartjes te knippen, maar kent ook de risico’s als hij dat niet doet: staartbijten, ziektes en kannibalisme. Een doorsnee burger kan zo’n technische redenering niet volgen. Hij ziet alleen dichte megastallen, maar heeft geen idee wat er zich binnen die muren afspeelt.” Dat leidt tot verkeerde ideeën, bijvoorbeeld over schaalvergroting. „Vijftigduizend kippen – dat moet wel net zo erg zijn als leven in een stadion met vijftigduizend hooligans, denken mensen. Maar dat kun je niet vergelijken. Een kip gaat echt niet tellen hoeveel soortgenoten er boven, onder en naast haar zitten.”

Burgers zijn inconsistent, constateert Bergstra. „We zien koeien, kippen en varkens het liefst in de wei, maar moeten niets hebben van geuroverlast. We willen graag dat dieren zo natuurlijk mogelijk worden gehouden, maar ook allerlei technische foefjes in de stal.” En: „Thuis op de bank vinden we dat varkens en kippen een goed leven moeten hebben, maar achter het winkelwagentje kiezen we tóch voor de kiloknaller.”

Daar lopen boeren tegenaan: zij weten niet of de consument op de lange termijn meer wil betalen voor een stukje vlees. Terwijl ze wel degelijk bereid zijn om over te schakelen naar meer diervriendelijke productie, zegt Gocsik. Onder de voorwaarde dat ze hun investeringen terugverdienen.

De consument ziet amper verschil

Gocsik berekende dat de productiekosten twee tot drie keer hoger liggen voor een biologische boer dan voor een traditionele veehouder. Stapt de ‘plofkippenboer’ echter over naar productie van vlees met het Albert Heijn-keurmerk ‘puur en eerlijk’ (voor de ‘meest verantwoorde keuze’) dan kost hem dat maar net iets meer. Pluspunt: bij ‘puur en eerlijk’ ligt het dierenwelzijn op ongeveer hetzelfde niveau als bij biologisch gehouden dieren. Probleem: de consument ziet amper verschil. Het varken dat in de supermarkt een ster van het Beter Leven-keurmerk krijgt, heeft nog steeds niet in de modder kunnen rollen. Volgens de promovendi staat dat romantische beeld van de consument niet gelijk aan een gelukkig leven voor het varken. „Mensen zien pas dat een dier een beter leven heeft als de productiekosten voor de boer disproportioneel stijgen, terwijl dat vlees verhoudingsgewijs net zo diervriendelijk is als dat met een keurmerk.”

Het is dan ook zeer de vraag of de consument meer wil betalen. Bergstra denkt dat supermarkten de sleutel tot verbetering in handen hebben: zij moeten durven kiezen voor diervriendelijk geproduceerd vlees. Aan de andere kant kan ook de kritische burger een beter leven voor varkens, kippen en koeien afdwingen. „De veehouderij trekt zich de negatieve gevoelens in de maatschappij wel degelijk aan.” Maar daarmee zijn we er nog niet. „In een exportland als Nederland gaan de plofkippen dan alsnog de grens over.”

Hoe de veehouderij van haar imagoprobleem afkomt? Bergstra denkt dat de sector opener moet zijn, wil ze de kloof met de opvattingen die leven in de maatschappij overbruggen. „Het is belangrijk dat de boer niet alleen de technische oplossing communiceert, maar vooral uitlegt waarom hij bepaalde keuzes maakt.”