Schaatsenrijden voor steeds meer grijs haar

Foppe de Haan gelooft nog heilig in het schaatsen. De voetbalprofessor, die met emeritaat is, vindt schaatsen „heroïscher” dan voetbal, vertelde hij aan de website schaatsen.nl. Maar ja, de 71-jarige De Haan, jarenlang coach van sc Heerenveen, is een volbloed Fries. Dan krijg je dat. Hij is geboren in Lippenhuizen (Lippenhuzen), verhuisde naar Grouw (Grou) – de geboorteplaats van Atje Keulen-Deelstra – en reed in 1985 de Elfstedentocht (Alvestêdetocht) uit. Het schaatsen is hem met de ijslepel ingegoten.

Dus voor hem geldt: krekt san lul als sien heit.

En toegegeven: bij de nationale kampioenschappen afgelopen weekeinde zat Thialf goed vol. Dik 1,5 miljoen mensen keken beide dagen op sommige tijdstippen op tv naar de rondjes op het ijs. Uit onderzoek van sportmarketingbureau Repucom bleek onlangs dat onder Nederlandse sportfans schaatsen na voetbal nog steeds de populairste sport is (ook op tv), gevolgd door wielrennen en darts. Dit onderzoek is bestemd voor (potentiële) sponsors, die nu dus ook kunnen weten dat voetballer Arjen Robben en schaatsster Ireen Wüst de hoogste marketingwaarde blijken te hebben.

Tot zover Nederland. Daarbuiten is het een sport die mondjesmaat wordt beoefend. Bij de schaatstak van de internationale federatie ISU zijn maar 54 landen aangesloten, waaronder exotica als Singapore, Argentinië en Zuid-Afrika. Van Wouter Olde Heuvel hebben ze daar meestal nooit gehoord.

W ie een Nederlandse bril opzet om naar het schaatsen te kijken, ziet een schijnwereld. Waarvan het voortbestaan allerminst vanzelfsprekend is. Omdat de belangstelling alsmaar afneemt. De Amerikaanse topschaatser Shani Davis zei in NRC Handelsblad: „Jullie in Nederland hebben alles, wij hebben niets.” En: „Ik zie het schaatsen het op deze manier geen tien jaar meer volhouden.” Anderen spraken het hem na. De discussie gaat bijvoorbeeld over het handhaven van de 10 kilometer voor mannen. Of de 5 kilometer bij vrouwen. Geliefde afstanden in Nederland, veel minder in het buitenland.

Wie de oranje bril afzet, heeft bij wereldbekerwedstrijden in het buitenland goed uitzicht op de kleur van de zitkuipjes op de tribunes, omdat ze grotendeels onbezet zijn. Hij kijkt naar schaatsers die langs reclameborden met Nederlandse teksten van Nederlandse bedrijven rijden. Die achten dat kennelijk nog altijd goedkoper en/of effectiever dan reclamezendtijd op tv. Zolang als dat duurt.

Een internationaal schaatsseizoen kent voor de modale liefhebber maar drie tot vier hoogtepunten. De Europese en wereldkampioenschappen allround, de WK sprint en de WK afstanden. En zie dan hoe Nederlandse schaatsers met dat gegeven omgaan. Jorrit Bergsma liet dit weekend weten dat hij niet naar het EK allround gaat, ook als hij bij het NK de derde plaats zou behalen die hem dat recht kon verschaffen. Past niet in zijn voorbereiding.

Of Koen Verweij, die deze derde plek veroverde, naar het EK in het Russische Tsjeljabinsk afreist, bleek twijfelachtig. Niet zo’n zin. Sven Kramer, meer dan potentieel medaillekandidaat, laat op de WK afstanden de tienduizend meter wellicht aan zich voorbijgaan. De volgorde van het wedstrijdprogramma op dat toernooi bevalt hem niet.

Beseffen zulke schaatsers (en hun coaches) wat er op het spel staat? Dat hun sport afkalft? Dat ze het publiek zo in de steek laten? Hoelang nog gaan sponsors – die al minder geld in het schaatsen steken dan voorheen – met zulke weigeringen akkoord? Of denken ze straks: wat een zeurpieten?

In een olympisch jaar is het nog begrijpelijk dat pieken op het juiste moment bij de topsporter voor alles gaat. Maar besef: schaatsen als professionele bezigheid bestaat slechts bij de gratie van de belangstelling van toeschouwers. Van Nederlands publiek dat, ontdekken die sporters als ze hun schaatsbril eens afzetten, steeds meer grijze haren telt.