Op rooftocht met Nyangatom

In Zuid-Ethiopië voeren etnische groepen nog oorlog om vee. Luke Glowacki onderzocht of de krijgers ook meer kinderen krijgen.

Een Nyangatom-herder uit Zuid-Ethiopië houdt een AK-47 vast. Veeroof en gevechten tussen naburige groepen komen nog vaak voor in dit gebied. Foto Africa 24 Media / Peter Greste

Waarom neemt een nomade deel aan een rooftocht tegen een buurvolk? Waar geen staat is, is er ook geen dienstplicht. Er is hooguit waardering in de gemeenschap voor betoonde dapperheid. Sommige antropologen zijn van mening dat in kleinschalige samenlevingen van jagers, eenvoudige tuinbouwers en herders een man meer kans zou hebben op nageslacht als hij meedoet aan krijgstochten (en die overleeft). Die theorie is omstreden, want het betekent dat er biologische drijfveren zouden zijn voor oorlogvoering: agressie leidt tot betere voortplanting.

De Amerikaanse antropoloog Luke Glowacki is verbonden aan Harvard. Hij deed 14 maanden promotieonderzoek onder de Nyangatom, een volk van nomadische herders in het zuidwesten van Ethiopië. Zijn onderzoeksverslag verschijnt deze week in PNAS (early edition on line) Dat is een van de weinige gebieden in de wereld waar kleinschalige samenlevingen elkaar nog beoorlogen buiten elk staatsverband om. Die oorlogvoering kan twee vormen aannemen: een frontale aanval op klaarlichte dag met zo’n honderd man, of een nachtelijke rooftocht met hooguit twintig man, waarbij de vijandelijke groep wordt beslopen. In beide gevallen gaat het erom de veestapel van de vijand te plunderen.

Glowacki ging na of mannen die het vaakst deelnemen aan zulke rooftochten, of er leiding aan geven, ook de meeste vrouwen en kinderen hebben. Hij kwam tot de conclusie dat dit effect wel degelijk optreedt, zij het niet op korte termijn, maar met een vertraging van vele jaren. Oudere mannen die in hun jonge jaren vaak deelnamen aan rooftochten hebben relatief veel vrouwen en kinderen.

Bij een groep rondtrekkende Nyangatom, over het algemeen familie, berust het eigendom van de veestapel bij de pater familias. Alle volwassen mannen van de groep, getrouwd of niet, hebben bepaalde rechten op dat vee. Hoe groot die aanspraken zijn, hangt af van de bruidsprijzen die ooit zijn betaald voor hun zusters en van hun eigen bijdragen uit rooftochten in het verleden. Gestolen vee wordt over het algemeen afgedragen aan oudere broers, maar degene die ze heeft gestolen ontleent daar veerechten aan tegen de tijd dat hij wil trouwen.

Glowacki volgde ruim een jaar lang 120 mannelijke Nyangatom, die hij verdeelde in 29 ‘ouderen’ en 91 ‘niet-ouderen’. Hij had geen betrouwbare gegevens over hun leeftijden en daarom ging hij bij die tweedeling af op de in de gemeenschap gehanteerde leeftijdstatusschaal. Wie de status had van ‘oudere’ (ekasukout) werd als zodanig ingedeeld.

In de onderzoeksperiode nam geen van de ouderen deel aan een rooftocht; hoewel ze in hun jeugd allemaal wel eens hadden meegedaan. De niet-ouderen gingen gemiddeld zo’n driemaal mee. Deelname onder de niet-ouderen varieerde sterk: 12 deden aan geen enkele rooftocht mee; 5 rukten wel tien keer uit om vee te stelen. Er bleek geen verband te bestaan tussen het aantal keren dat niet-ouderen op rooftocht gingen en het aantal vrouwen en kinderen. Ouderen over wie leeftijdgenoten buiten de onderzoeksgroep wisten te vertellen dat zij als jongemannen vaak op rooftocht gingen, hadden meer vrouwen en kinderen dan ouderen van wie dat niet werd gezegd.

Het systeem van uitgestelde veerechten, afhankelijk van de ‘opbrengst’ van zusters en de inbreng uit rooftochten, maakt dat bij de Nyangatom deelname aan een rooftocht pas jaren later rendeert. Maar het is toch geen bewijs voor een biologische drijfveer voor oorlog. Want het verband tussen deelname aan raids en voortplantingssucces wordt in deze samenleving in hoge mate bepaald door culturele arrangementen als de specifieke veehoudereconomie en de geldende huwelijksregels. Het laat zich niet generaliseren tot een evolutionair verband tussen succes in de oorlog en voortplantingssucces, zo concludeert Glowacki.