Column

Kleinzoon van de oligarch

De Nederlander Joannes Münninghoff (1887-1954) leest begin jaren dertig een Duitse krant in de eersteklas lounge van het vliegveld van Riga, de Letse stad waar hij zich heeft gevestigd. Naast de zakenman zitten twee mannen hun politieke samenzwering te bespreken. Ze zullen de presidentskandidaat Ulmanis uitschakelen door publiek te maken hoe groot diens schulden zijn, aangegaan ter bekostiging van de verkiezingscampagne. De publieke schande, zo is hun verwachting, zal Ulmanis nekken.

De Nederlander, die uitstekend Lets verstaat, besluit rechtsomkeer te maken, spoort Ulmanis op en vertelt hem alles. Nadat de politicus van de schrik is bekomen – dit zou inderdaad zijn politieke dood hebben betekend – levert Münninghoff zelf de oplossing. Hij schiet de Let de verschuldigde bedragen voor en ze spreken af dat Ulmanis het moment afwacht waarop zijn vijanden met hun onthulling komen, om die af te kunnen doen als een kwaadaardige canard. Het blijkt de nekslag voor de politieke concurrentie.

Eenmaal president toont Ulmanis zijn dankbaarheid, in lucratieve privileges en zakelijke voordeeltjes. Münninghoff is vanaf dat moment niet langer een obscure buitenlandse sjacheraar maar een gerespecteerd oligarch, puissant rijk bovendien.

Dit is slechts één van de tientallen sterke, waar gebeurde anekdotes uit De stamhouder, geschreven door de kleinzoon van Münninghoff, een boek dat via de wederwaardigheden van Balten, Russen en Duitsers een volkomen originele kijk geeft op Nederlands twintigste eeuw. Tegelijk is het een aangrijpende familiekroniek, vol schimmige zakendeals in de top van de katholieke zuil, curieuze oorlogsdaden en ondoordachte opvoedingstechnieken van onthechte avonturiers.

Het is het beste boek van 2014, meen ik, en ik heb de afgelopen maanden ruim de tijd genomen om de concurrentie te lezen.

Dus sloeg ik aan het evangeliseren. Maar dat bleek niet nodig. Het was alsof ik voor het eerst van mijn leven lid was van een boekenclub: iedereen had het al gelezen en glom van opwinding.

Toch kwam ik het boek niet vaak tegen op de talloze beste-boeken-lijstjes. Hoe komt dat? Ik weet het natuurlijk niet zeker, maar iets zegt me dat de persoon Münninghoff er mee te maken heeft. Hij is een oudere collega van de lijstjesmakers, een journalist, en niet eentje van het geijkte pad, maar meer het type bal uit Leiden, die bovendien werkte als correspondent voor de AVRO en Haagsche Courant, niet echt journalistieke platformen die de weg naar de toekomst wezen, zacht gezegd. Bovendien: een man die zichzelf in smoking op de achterflap van zijn boek laat zetten. Een borrel in de hand ontbreekt er nog aan.

Voor de beroepsgroep der lijstjesmakers lijken me dat geen aanbevelingen. En toch. Münninghoff is de auteur van het meest intrigerende non-fictieboek van het jaar – zeg ik met nog maar zo’n 48 uur van dat jaar te gaan.

Hij had zich een glas in de hand kunnen veroorloven, op de achterflap. Dat was bovendien passend geweest, gezien de rol die flessen jenever in het boek spelen. Vooral die op zondagochtend zijn opvallend, aan de keukentafel. De auteur, de stamhouder van de familie, moet luisteren naar „eindeloze, niet meer ter zake doende frontcommuniqués” die zijn vader hem verstrekt. Borrel bij de hand. De ik-persoon wil zich er zo snel mogelijk van losmaken. Je hoopt maar dat het met dit boek eindelijk is gelukt.