Jij met je boterhammetje

We stappen bij dezelfde deur in, mijn hoofd denkt dat jij me kort aankijkt.

In de trein sta ik op voor een groep van vier, en kom daardoor tegenover je zitten, een weldoordachte keuze.

Daar zit ik dan... Jij eet een boterhammetje en luistert muziek. Ik doe een poging oogcontact te maken en ga onhandig wat aantekeningen maken. Normaal ben ik niet zo verlegen, maar nu, wat is dit ineens?

In Tilburg moet ik eruit. Ik kijk vanaf het perron nog even naar je. Waarom sprak ik je niet aan?

Jij bent klein, je droeg een grijze jas met een grijze gebreide sjaal. Je hebt een opvallend lichtblauw leren tasje.

Ik ben die kluns met een blauwe jas, bruin vest en blauw hemd. Keek je echt naar me?