Je moet je niet door je emoties laten leiden

Zijn opdracht, vindt de minister van Veiligheid en Justitie, is dit: „Men moet het gevoel hebben dat we alles uit de kast halen om te voorkomen dat er een aanslag in Nederland plaatsvindt.”

„Nederland moet weten dat de kans op een aanslag hier reëel is”, aldus minister Opstelten . Foto Robin Utrecht

Het is minister Ivo Opstelten ten voeten uit. Geen paniek, rust uitstralen, deëscaleren. „De wil was aanwezig om eruit te komen, dat is heel belangrijk. Het is formidabel professioneel en rustig gedaan. Dan zie je dat het lukt, hoe ingewikkeld het ook is. De coalitie is hecht, we willen gewoon door.”

Het is dertien uur na het in de vroege vrijdagochtend afgesloten Tweede Kamerdebat, waarmee vorige week een eind kwam aan drie dagen politieke hoogspanning over de in de Eerste Kamer afgestemde zorgwet. Opstelten zag, als niet direct betrokken minister, de slotakte thuis op televisie. „Nee, je moet als ploeg dan niet bij elkaar gaan zitten. Je moet er een beetje ontspannen mee omgaan. Het wel serieus nemen, maar vooral ontspannen.”

Opstelten ontvangt in zijn werkkamer op het departement van Veiligheid en Justitie. De laatste ministerraad van het jaar, inclusief de traditionele kerstlunch, is achter de rug. Zwarte wallen onder zijn ogen verraden de korte nacht. Ivo Opstelten praat als Ivo Opstelten: langzaam, bijna dicterend, veel uhms. Een terugkerende klap met de hand op tafel accentueren zijn bassende zinnen.

Opstelten hoopt, in tegenstelling tot de zomer, nu wél echt vakantie te hebben. De boeken voor bij de kerstboom heeft hij al uitgezocht. Onder andere de biografie van Jan de Quay staat op de lijst, de premier die begin jaren zestig regeerde en het ambt vreselijk vond, zoals hij zijn dagboek regelmatig toevertrouwde.

Een gesprek over het voor hem zo turbulente jaar, was de afspraak. De ramp met vlucht MH17 en de opkomst van het jihadisme in Nederland domineerden Opsteltens agenda. Totaal anders van karakter natuurlijk, maar beide sterk „geopolitiek van aard”, zegt hij.

Waar was u toen u over de ramp hoorde?

„Net thuis, met een zeer ontspannen gevoel, kan ik wel zeggen. Alle dossiers waren weggewerkt, ik had een leeg bureau. Toen kreeg ik op allerlei fronten het bericht binnen. Via het nieuws, mijn dochter belde, ik kreeg een berichtje van het ministerie. Mijn chauffeur was onderweg terug van Rotterdam naar Den Haag, dus die heb ik gebeld: keer maar weer om.

„De volgende ochtend zou ik een kleine operatie ondergaan, een liesbreukje. De sportarts van Feyenoord zou die ingreep doen, maar die heb ik de volgende ochtend afgebeld.”

Wist u al snel meer dan de buitenwereld?

„We wisten dat het een vliegtuig van Malaysia Airlines was, maar verder wisten we nog niet veel. Waar gaat het om, hoe erg is het? Is iedereen aanwezig? Ik ben een tijdje alleen geweest. De premier moest uit Duitsland terugkomen. We moesten eerst weten: om wie gaat het, waar is die passagierslijst? Ik heb op een gegeven moment bijna een tafel doormidden geslagen omdat die lijst met namen maar op zich liet wachten.”

U dacht, dat is toch één druk op de knop?

„Ja, dat vond ik veel te lang duren. In de loop van de avond kregen we pas de eerste indicaties hoeveel landgenoten erbij zaten. Toen we een bepaalde indruk hadden, ben ik toch naar buiten getreden. Iemand moest iets zeggen en de premier was er nog niet.”

Hoe bepaalde u wat nodig was? Hoe wist u wat de samenleving van u wilde horen?

„Niet door op straat te gaan lopen ofzo. En je denkt ook aan geen enkel politiek belang. We hadden meteen die prioriteit één: de nabestaanden. Bij alles was meteen de lijn dat er pas iets naar de media gaat als de nabestaanden zijn geïnformeerd.”

Er liggen toch draaiboeken klaar voor dit soort rampen?

„Misschien is dit niet goed om tegen u te zeggen, maar ik heb vanaf die zeventiende juli geen draaiboek ingekeken. Je moet doen wat nodig is. Rechtstreeks contact, geen digitaal gedoe, briefjes of telefoontjes. Het gesprek aangaan met de nabestaanden, dat is belangrijk. Dan kunnen mensen het gewoon zéggen als ze boos zijn. En ze waren woedend soms.”

U heeft ervaring met zulke grote gebeurtenissen. Ziet u parallellen met de moord op Pim Fortuyn, uit uw tijd als burgemeester van Rotterdam?

„Dat is niet met elkaar te vergelijken. Al zag je daar ook dat de samenleving zich wil uiten. Dat moet nu eenmaal gebeuren bij groot verdriet.”

Is crisismanagement anders geworden door de jaren heen?

„Er is één ding totaal veranderd: de communicatie. Vroeger zeiden autoriteiten niets, tot ze iets wisten. Dat kan niet meer. Je moet de samenleving informeren over de stappen die je zet, ook als je nog helemaal niets weet. Dus zég je dat je iets niet weet. Met zo’n ramp willen mensen gewoon de premier zien. Dat moet.”

Is de samenleving veeleisender geworden?

„Dat zou kunnen. En als er zoveel gecommuniceerd wordt, zitten daar natuurlijk opinies bij. Ik denk niet dat je jezelf een genoegen doet door te volgen wat er op sociale media gebeurt.”

Het klinkt nogal klinisch.

„Dat is de enige manier. Je moet blijven nadenken en je natuurlijk niet door emoties laten leiden. Gebruik je gezond verstand en laat je goed voorbereiden. Dat gaat door tot op de dag van vandaag. Elke dag begin ik met een overleg met Dick Schoof, de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid. We bespreken de stand van zaken rond MH17 en het jihadisme.”

Wat bespreekt u met hem over het jihadisme?

„Het is allemaal maatwerk. Wat zijn de cijfers, welke maatregelen nemen we? Dat wil ik van dag tot dag volgen. We praten met experts, met hoogleraren, met de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en betrokken burgemeesters.”

Waarom vroeg u afgelopen jaar zoveel aandacht voor die opkomst van het jihadisme?

„ Nederland moet weten dat de kans op een aanslag hier reëel is. In maart vorig jaar werd het dreigingsbeeld al verhoogd van beperkt naar substantieel. Dat is een mooi objectief model dat we hebben: de nationaal coördinator stelt dat dreigingsbeeld vast, niet de minister of het kabinet. Niet dat ik de neiging zou hebben om het onveiliger te laten lijken dan het is, maar zo krijg je er in elk geval geen discussie over.

„We hebben een actieprogramma opgesteld, met repressieve maatregelen en ook een aantal preventieve zaken. Om de voedingsbodem van radicalisering weg te nemen. Ik vind ook dat je die repressieve maatregelen moet communiceren. Dat is mijn opvatting.”

Wanneer is uw beleid geslaagd?

„Dat is eenvoudig: als het dreigingsbeeld vermindert. Al ben ik niet zo naïef dat ik zeg dat dit straks is afgelopen, alleen door gefocust beleid van een aantal maanden. Dit kan lang gaan duren.

„Wij willen een klimaat creëren waarbij de aantallen mensen die naar Syrië afreizen voor de jihad, afnemen. We moeten op die cijfers letten, maar men moet vooral het gevoel hebben dat we alles uit de kast halen om te voorkomen dat er een aanslag in Nederland plaatsvindt. We hebben Brussel en Canada gehad, ik hoop dat we het hier kunnen voorkomen met de maatregelen die we nemen.”

In Brussel kwamen in mei vier mensen om het leven bij een aanslag in het Joods Museum. In Canada vonden in oktober twee aanslagen plaats, waarvan één in het parlementsgebouw.

Opstelten en collega-minister Lodewijk Asscher (Integratie, PvdA) kondigden dit najaar maatregelen aan om jihadisme en radicalisering tegen te gaan. Wie voor de jihad wil uitreizen naar Syrië of Irak, raakt zijn paspoort kwijt. Jihadisten die zich aansluiten bij een terroristische organisatie willen ze het Nederlanderschap kunnen afnemen.

U kent de kritiek dat u vooral op veiligheid let en minder op de rechtsstaat?

„Ik ken dat beeld maar het is onjuist. Als we over het bestrijden van jihadisme spreken is dat omdat het de rechtsstaat in de kern aantast. Ik ben een eenvoudige liberaal en die is geboren met het vrijheidsideaal en de rechtsstaat dus.”

Dus ook hier is beeldvorming weer belangrijk?

„Beeldvorming is altijd optreden. Al kun je natuurlijk ook een beeldvorming hebben van níét optreden. Men moet wel het vertrouwen hebben dat de overheid dit heel serieus aanpakt. Dit nieuwe beeld, deze geopolitieke ontwikkelingen, zijn niet bevorderlijk voor het veiligheidsgevoel, laat ik het zo maar zeggen.”

Heeft u het idee dat u grip heeft op die radicalisering?

„Wat is grip? We weten wat we doen, laat ik het zo zeggen. De vraag is hoe die radicalisering voeding krijgt en hoe we die kunnen wegwerken. Dat is niet zomaar even gebeurd en het is een totaal nieuwe dimensie aan de veiligheidsproblematiek. Toen ik aantrad als minister wist ik niet dat dit zou gebeuren.”