Je bent jong en je wordt vergeten

Het land geldt als het enige succesverhaal van de Arabische Lente. Maar met de economie gaat het slecht in Tunesië. Vooral hoogopgeleide jongeren zijn gefrustreerd.

De werkloosheid in Tunesië is 15 procent, onder gediplomeerde jongeren is die het dubbele. Foto AFP

Wie van het noorden van Tunesië naar het zuiden rijdt, reist in feite terug in de tijd. De kustregio’s zijn relatief welvarend, met in het uiterste noorden de kosmopolitische hoofdstad Tunis. Dit is het politieke en economische centrum van het land, waar eenderde van de bedrijven is gevestigd in lelijke kantoorgebouwen van zandkleurig beton en spiegelglas.

De belangrijkste snelweg van het land verbindt Tunis met de badplaatsen Hammamet en Sousse aan de oostkust, die meer hotelbedden hebben dan inwoners. Het is een rit van een paar uur. Onderweg passeer je een vliegveld, gebouwd voor de miljoenen Europese toeristen die ’s zomers de resorts bevolken.

Als je de snelweg verder zuidwaarts volgt, voorbij de havenstad Sfax met zijn fabrieken, houdt de snelweg op. Wie verder naar het zuiden gaat, of afbuigt naar het binnenland, is aangewezen op gebrekkige binnenwegen die provinciesteden als Sidi Bouzid en Kasserine met elkaar verbinden. Onderweg passeer je uitgestrekte cactushagen en smoezelige eettentjes.

In dit achtergestelde gebied, bevolkt door boeren, dagloners en werklozen, begon de revolutie. Eind 2010 stak de illegale fruitverkoper Mohammed Bouazizi zichzelf in brand uit wanhoop over zijn leefomstandigheden.

Vier jaar na de revolutie zijn die omstandigheden niet veranderd. Veel jongeren hier voelen zich verraden. Ze waren de eersten die in opstand kwamen tegen president Ben Ali. Hun voornaamste drijfveer was werkloosheid. Niet voor niets luidde hun belangrijkste leus: ‘Werk, vrijheid en nationale waardigheid’.

Er kan zo weer onrust ontstaan

Maar sinds de revolutie is de jeugdwerkloosheid alleen maar toegenomen. Op de muren van Kasserine blijkt wat de belangrijkste eis is aan de kandidaten die het vorige week zondag tegen elkaar opnamen in de tweede ronde van de presidentsverkiezingen: banen. Tussen de campagneposters hebben tientallen jongeren hun curriculum vitae opgehangen.

„Er is hier niets, alleen werkloosheid en terrorisme”, zegt Haithem Ben Farhad (35), directeur van de lokale radiozender KFM. „Veel jongeren gaan op zoek naar werk in het noorden. De achterblijvers zinken weg in uitzichtloosheid. Overdag hangen ze rond in cafés, waar ze voor een paar dinar een kop koffie en een paar sigaretten kopen. ’s Nachts liggen ze wakker door de bombardementen van het leger op de terroristen in de bergen. Veel mensen hebben psychologische hulp nodig.”

Tunesië geldt als het enige succesverhaal van de Arabische Lente. Maar de economische situatie is sindsdien alleen maar verslechterd. Door de politieke onrust zijn de buitenlandse investeringen afgenomen en blijven de toeristen weg. De economische groei bedraagt dit jaar 2,5 procent, lang niet genoeg om de werkloosheid terug te dringen. Die is nu 15 procent, onder gediplomeerde jongeren het dubbele.

Frustratie over het gebrek aan banen kan gemakkelijk leiden tot nieuwe onrust. Want de kosten voor levensonderhoud zijn juist toegenomen. De inflatie ligt tussen de 5 en 6 procent. De radiozender Mosaique FM stuurt iedere ochtend een verslaggever de markt op om de prijzen door te geven van de ingrediënten van shakshuka, het nationale gerecht van ui, tomaat, pepers en gepocheerd ei.

Tunesiërs hopen dat na de verkiezingen betere tijden aanbreken. Maar de afgelopen jaren werd de politiek verlamd door de machtsstrijd tussen moslimfundamentalisten en seculieren. In de campagne voor de presidentsverkiezingen waren de kandidaten vooral bezig elkaar zwart te maken. De winnaar, Béji Caïd Essebsi van de seculiere partij Nidaa Tounes, zette de kiezers van zijn rivaal weg als „salafisten en jihadisten”. De economie speelde nauwelijks een rol, terwijl kiezers dat juist als de hoogste prioriteit zien.

Geen banen voor gediplomeerden

„Ben Ali’s erfenis is niet alleen politieke repressie, maar ook een economische puinhoop”, zegt Ouissem Ghorbel, een jonge, ambitieuze econoom die na de revolutie zijn baan bij adviesbureau McKinsey in Parijs opzegde om mee te helpen met de wederopbouw van zijn land. Hij werd adviseur van de minister van Werkgelegenheid, maar stopte na een jaar om zijn eigen adviesbureau op te richten.

Ghorbel werkte mee aan een omvangrijke studie naar de economische problemen van Tunesië die de Wereldbank in maart publiceerde. „Het systeem van Ben Ali was gebaseerd op uitsluiting en patronage”, legt Ghorbel uit. „Loyale mensen werden beloond met hoge posities bij staatsbedrijven, toegang tot een lucratieve sector of een hotel-licentie.”

Om gevestigde belangen te beschermen, schrijft de Wereldbank, was de helft van de economie uitgesloten van investeringen. Veel sectoren worden gedomineerd door een paar grote bedrijven. Het resultaat: een totaal verkalkte en corrupte economie, die is blijven steken in de jaren zeventig.

„Ben Ali investeerde vooral in landbouw en fabrieken”, zegt Ghorbel. „Van de 100.000 nieuwe banen zijn er slechts 20.000 geschikt voor gediplomeerd personeel. Terwijl er ieder jaar 80.000 jongeren afstuderen.”

Neem Mzoughi Aymen (32), een ambitieuze jongen uit Tunis. Na de revolutie haalde hij zijn master in de financiële economie, maar hij heeft nog steeds geen baan die bij zijn opleiding past. „Ik heb eindeloos sollicitatiebrieven gestuurd naar financiële instellingen, maar meestal kreeg ik niet eens antwoord. Zonder wasta (connecties) kom ik nergens aan de bak, zo werkt het hier.”

Om toch wat geld te verdienen werkt Aymen in een callcenter, zoals veel jongeren. Maar zijn maandinkomen van 550 euro is niet genoeg om rond te komen – zijn familie springt bij. Hij deelt nu een flat met drie anderen, ze slapen met zijn tweeën op een kamer. De hoop op een goede baan heeft hij opgegeven. „De revolutie is uitgelopen op een grote deceptie.”

Ook hotels hebben het moeilijk

Vooral de toeristenindustrie, waar grofweg twee op de tien Tunesiërs direct of indirect van afhankelijk zijn, is de afgelopen jaren hard geraakt. Sociale onrust, terreuraanslagen en de bestorming van de Amerikaanse ambassade hebben het imago van Tunesië geen goed gedaan. Het aantal toeristen is gedaald van 6,9 miljoen in 2010 naar 4,7 miljoen in 2011. Sindsdien is het enigszins aangetrokken, maar de aantallen van voor de revolutie worden niet meer gehaald.

De problemen van de sector ligger echter dieper. In ruil voor loyaliteit deelde Ben Ali veel licenties uit voor hotels, maar op ongunstige locaties en zonder deugdelijke financiering. Hierdoor zijn 140 van de ruim 600 Tunesische hotels in grote financiële problemen gekomen. Hun gezamenlijke schuld is opgelopen tot 3 miljard dinar (1,3 miljard euro), waardoor een aantal staatsbanken dreigt om te vallen.

De twee grootste partijen, het seculiere Nidaa Tounes en het fundamentalistische Ennahda, hebben beide een liberale agenda. Maar de hervormingen die ze willen doorvoeren, kunnen op grote weerstand rekenen, zeker in het binnenland. Vorig jaar braken er in Kasserine rellen uit om een belastingverhoging op voertuigen. Vooral de verwachte bezuinigingen op subsidies voor voedsel, stroom en brandstof kunnen tot veel onrust leiden.

Wachten op jonge mensen

Econoom Ghorbel betwijfelt of de partijen genoeg visie hebben om de economie te moderniseren. „Hun ideeën zijn politiek, niet economisch. Dit is vaak het probleem met nieuwe democratieën, die vechten tegen de spoken van een repressief verleden. We kampen nog steeds met 1.200 verouderde wetten, die vaak zestig jaar teruggaan. Dat zijn 1.200 werken van Hercules.”

Ghorbel heeft zelf politieke ambities, maar wacht tot de oude garde met pensioen is. „Veel politici zijn boven de zestig en weten nauwelijks hoe een smartphone werkt. Essebsi probeert als 88-jarige de taal van de jeugd te spreken. We hebben jonge mensen nodig in de regering, die begrijpen hoe Tunesië de vruchten kan plukken van de globalisering.”