Romantiek verdween uit het voetbal

In vijftien jaar is de voetbalwereld erg veranderd. Een vertrekkend sportredacteur maakt de balans op.

Journalisten op de perstribune van het Maracanã-stadion in Rio de Janeiro – Greven tweede rij, derde van rechts – tijdens de finale van het WK voetbal. Foto Maurice van Steen

Het liep tegen middernacht. Het Philips Stadion was al grotendeels verlaten. Met een glimlach op zijn gezicht kwam Memphis Depay (20) aangelopen. „Sta jij hier helemaal alleen op mij te wachten? En waar ben jij dan wel van?”, zei de jonge speler van PSV na de Europese thuiswedstrijd van de Eindhovense club tegen Estoril. NRC Handelsblad. Hij had er nog nooit van gehoord.

„NRC wát? Een krant uit Amsterdam?” De persvoorlichter knikte dat het goed was. Depay was bereid een paar vragen te beantwoorden. Of beter gezegd, Memphis, want de voetballer wil met zijn voornaam door het leven gaan. Zijn doorbraak deed hem weinig. Hij liet niet voor niets al jaren geleden het woord ‘succesvol’ op zijn onderlip tatoeëren.

Profvoetballers zijn de vrijwel niet benaderbare supersterren van deze tijd. Memphis is er daar één van. Hij weet het.

Multimiljonair

Het is hard gegaan met de professionalisering van de grootste sport op aarde. De voorbije vijftien jaar veranderde de voetbalwereld in rap tempo. De romantiek verdween, het grote geld kwam.

De hoofdrolspelers werden multimiljonair. Voorzitters werden directeuren. Sponsors maakten plaats voor geldschieters, investeringsmaatschappijen en eigenaren. Vriendjes werden zaakwaarnemers. De Alkmaarderhout werd het AFAS Stadion. Natuurgras werd kunstgras. En supporters in sommige gevallen aandeelhouders.

Het spelniveau is er in de Nederlandse eredivisie niet beter op geworden. Wie mee wil doen om de echte prijzen vertrekt naar het buitenland. Daar is de professionalisering zelfs met een factor tien vergroot. Memphis gaat het meemaken.

We gaan even terug naar het einde van de vorige eeuw. Nederland telde bij mijn komst naar de sportredactie in het internationale clubvoetbal nog mee. De Hollandse Voetbalschool glorieerde.

Talloze discipelen van Johan Cruijff begonnen net als de meester zelf zonder veel theoretische kennis snel na hun carrière als coach op het hoogste niveau. Cruijff bleek geen goed voorbeeld. De Europese kampioenen van 1988 ontdekten op harde wijze dat ‘schoolmeester’ Co Adriaanse het bij het rechte eind had door te stellen dat „een goed paard nog geen goede ruiter” is.

Het treffendste voorbeeld is misschien wel Ruud Gullit. Die begon bij Chelsea zelfs als een nog spelende coach. Er bleek geen toptrainer in hem schuil te gaan. En ook zijn voetbalmaatje Marco van Basten zag uiteindelijk in dat een coach vandaag de dag een moderne manager is die veel meer moet kunnen dan zelf goed tegen een bal trappen.

Louis van Gaal was zijn tijd als coach ver vooruit. Hij werkte al als een veeleisende hoofdtrainer met oog voor ieder detail, terwijl er in de bestuurs- en kleedkamers nog plaats was voor gerommel en romantiek.

Van Gaal wist er in 1995 met Ajax de wereld mee te veroveren. Maar FC Barcelona, Oranje en weer FC Barcelona waren tussen 1997 en 2003 nog niet helemaal klaar voor deze controlfreak. Het leverde tal van knallende botsingen op. Op de Spaanse televisie werd Van Gaal uitgebeeld als een sprekende baksteen.

Van voormalige huisvriend van Cruijff groeide hij uit tot diens grootste vijand. Van Gaal week voor niets en niemand. Persoonlijk was ik er getuige van toen hij in mei 2000 met een legendarische persconferentie een einde aan zijn eerste tijdperk bij Barça maakte. Zijn conclusie: „Mijn filosofie werkt niet in deze cultuur”.

Het was eerder de tijdsgeest die tegenzat in Catalonië. In december 1999 speelde FC Barcelona in Madrid een competitiewedstrijd tegen het volksclubje Rayo Vallecano. Vlak daarvoor was de Braziliaanse stervoetballer Rivaldo uitgeroepen tot voetballer van het jaar.

Tot grote ergernis van Van Gaal eiste de speler een plek als spelmaker achter spits Patrick Kluivert. De trainer zette hem daarop uit de selectie. Op deze koude winteravond verspeelde FC Barcelona kostbare punten. Na afloop schoot ik Van Gaal in het kleine pershokje van Estadio Teresa Rivero even aan en vroeg hem of hij Rivaldo toch niet een beetje had gemist. Er volgde een vernietigende blik en een kort antwoord. „Ik praat niet over individuele spelers. Is dat je niet duidelijk?”

Een paar weken later keerde Rivaldo onder druk van de publieke opinie terug in het elftal van FC Barcelona. Ze speelden dat seizoen zelden of nooit meer het voetbal dat de coach voor ogen had. Later noemde Van Gaal de terugkeer van Rivaldo de grootste fout die hij in zijn trainersloopbaan heeft gemaakt.

Op het voorbije WK in Brazilië liet Van Gaal zien dat hij nog steeds als geen ander in staat een succesvol team te smeden. De huidige generatie profvoetballers is zich ervan bewust dat er voor onprofessioneel en egoïstisch gedrag geen plaats meer is in de top.

Wie niet voor de sport leeft kan niet meer terugvallen op zijn talenten. Daarvoor is de concurrentie met de daarbij behorende financiële belangen te groot geworden.

Society

Prachtig zijn de beelden van Wesley Sneijder die als Utrechts jongetje maar één doel voor ogen heeft: profvoetballer worden. Het talent komt al snel bovendrijven. De liefhebber groeit uit tot een wereldster, die fans heeft van China tot in de regenwouden van Ecuador. Iedere stap die de kleine spelmaker zet wordt onder een vergrootglas gelegd. Het publiek ontgaat niets meer.

Sneijder is diep van binnen altijd dat straatschoffie uit volksbuurt Ondiep gebleven, maar de wereld om hem heen is veranderd. Samen met Yolanthe Sneijder-Cabau vormt hij een society koppel. Samen met Arjen Robben, Robin van Persie en Rafael van der Vaart behoort Sneijder tot een generatie wereldtoppers die Oranje weer succes brengt.

Ziek was Sneijder ervan toen hij de Spanjaarden in 2010 in het Soccer City van Johannesburg met de wereldbeker zag weglopen. En de derde plaats dit jaar op het WK in Brazilië ziet hij niet als een prijs. Alleen winnen telt voor deze lichting, die in het buitenland succesvoetbal heeft leren spelen.

Het is de generatie die zijn vleugels al vroeg uitslaat, maar niet voordat in de eredivisie een basis is gelegd. Aan het begin van de eeuw weten Feyenoord (winst van de UEFA Cup in 2002) en PSV (halve finale van de Champions League in 2005) in internationaal opzicht nog sporadisch een rol van betekenis te spelen, maar zelfs een incidenteel succes is niet meer van deze tijd. Nederland is een ‘Europa League land’ geworden.

Dat is niet de wereld die een opkomende ster als Memphis voor ogen heeft. PSV moet eigenlijk blij zijn dat hij op zijn twintigste nog in Eindhoven speelt. Het is de houding van de nieuwste generatie profs. De eredivisie is langzaam maar zeker een podium voor jong talent en tweede garnituur buitenlanders geworden.