Kliekjes en liflafjes

ILLUSTRATIE OLIVIA ETTEMA

Kerst is voor veel mensen de tijd van overdadig eten – dat is nu eenmaal de traditie. En omdat we hard op weg zijn naar de appelflappen en oliebollen, beperken sommige huishoudens zich momenteel tot kliekjes en liflafjes.

Sommige mensen gebruiken zowel liflafje als kliekje voor ‘overschot van een maaltijd’, maar volgens de woordenboeken is dat niet correct. Een kliekje, aldus de Grote Van Dale, is een ‘overschot van een maaltijd’, terwijl liflafje volgens dit woordenboek een lekkernij is die de maag niet vult.

Kliekje dateert uit de tweede helft van de 17de eeuw. De herkomst is onzeker. Waarschijnlijk, aldus een naslagwerk, „is het een klanknabootsend woord, naar het geluid van iets wat met een klets wordt neergesmeten of neergekwakt”. Zelf gooi ik zelden met eten, maar de keren dat ik dat wel heb gedaan is me nooit opgevallen dat dit een geluid produceert dat in de verste verte lijkt op ‘kliek’. Erg overtuigend vind ik die verklaring dus niet.

Liflafje is aan het eind van de 16de eeuw voor het eerst opgetekend. Een ‘vleier’ noemde men indertijd een lief-laffer. Die maakte zich schuldig aan lief-laffen (‘vleien’), dan wel aan liflaf of liflafferij, dat wil zeggen: aan smakeloze, flauwe praat.

Wij gebruiken liflafje nu voor een smakelijk of verfijnd hapje, maar aanvankelijk bedoelde men er het tegenovergestelde mee, namelijk ‘smakeloze kost’ – net zo flauw als loze vleierij. In de betekenis ‘smakeloze kost’ is liflafje in 1708 voor het eerst vastgelegd, in een woordenboek.

Of het komt doordat het zo lekker bekt weet ik niet, maar lang is liflafje een populair advertentiewoord geweest. Vanaf het midden van de 19de eeuw duikt liflafje op in klachten over eetgewoontes. Zo schreef de krant De Nederlander in 1848 over het eetpatroon van jongelieden: „Het krachtige gezonde bier heeft voor champagne, goed brood en vleesch voor allerlei liflafjes plaats gemaakt”. En in 1873 schreef de Sumatra-courant: „Eenvoud is weliswaar het kenmerk der waarheid, doch wij weten nu eenmaal dat het publiek het krachtige en gezonde voedsel zal versmaden om met graagte een greep te doen naar die liflafjes, die meer geschikt zijn om het gehemelte te kittelen.”

Hoe fabrikanten en uitgevers hierop inspeelden, zien we terug in advertenties. Zo prees een uitgever in 1879 in Het nieuws van den dag „een allerbest Hollandsch Keukenboek” aan, „expres vervaardigd voor de Hollandsche Keuken, en niet, zooals alle andere Keukenboeken, honderd zaken en liflafjes bevattende die nooit te pas komen, doch een flinke vraagbaak voor ieder die goedkoop, goed en lekker wil eten.” Een fabrikant van „zuiver tarwebrood”, probeerde dat in 1904 in het Rotterdamsch nieuwsblad onder de aandacht te brengen met dit advies aan ouders: „Voed uw kinderen met zuivere, eenvoudige, maar degelijke kost; dan zullen zij als mannen zich niet behoeven te behelpen met lif-lafjes, ‘omdat hun maag niet anders verdragen kan’.”

Tarwebrood, moutbrood, Koopman’s zelfrijzend bakmeel, zelfs Koopman’s vanillepuddingen werden in advertenties aan de man gebracht als alternatief voor verderfelijke liflafjes.

De mooiste advertentietekst vond ik in het Rotterdamsch nieuwsblad van 1905: Vraag: „Waarom waren de menschen vroeger van ijzer en waarom zijn de menschen tegenwoordig van hout?” Antwoord: „Omdat het voedsel vroeger niet uit liflafjes bestond.”