‘Ik ben niet zomaar iemand’

Dit jaar stopt hij bij de Münchner Kammerspiele, en leidt hij NTGent en de Ruhrtriënnale. „Repertoiretoneel voor halflege zalen, dat kan niet. Er moet een grotere culturele elite komen.”

Pierre Bokma in Dantons Tod van Georg Büchner bij de Münchner Kammerspiele, in de regie van Johan Simons. Foto Julian Röder

De afspraak om ’s avonds laat nog wat te gaan eten, moet Johan Simons uitstellen. Een acteur van de Münchner Kammerspiele is niet voor een voorstelling komen opdagen. Hij bleek in het zwembad te liggen. Als intendant moest Simons opdraven om uit te leggen wat er aan de hand was. En hij overtuigde een andere acteur om de rol over te nemen.

„Ze verwachten in Duitsland gewoon dat de hoogste baas zelf komt”, zegt hij. Terwijl hij nog buiten een sigaretje rookt, stapt een bezoeker op hem af. „Om te vertellen dat hij het een heel spannende avond had gevonden. Zo is het Duitse publiek, ze spreken je heel direct aan. Dat is zo anders dan in Nederland.”

Simons komt terug naar Nederland. In München had hij een geweldige baan met een budget, waar hij in Nederland alleen maar van kan dromen. Maar privé werd het reizen tussen München en Varik, het dorp in de Betuwe waar hij woont met zijn vrouw Elsie de Brauw, te zwaar. Volgend jaar leidt hij weer NT Gent, zoals hij ook tussen 2005 en 2010 deed. Hij is vanaf 2015 drie jaar de intendant van de Ruhrtriënnale. En, zo maakte hij deze maand bekend, met ingang van 2017 leidt hij de fusie tussen de Rotterdamse schouwburg, Ro Theater, Wunderbaum en Productiehuis Rotterdam. 70 jaar is hij dan.

In Rotterdam wil hij intendant zijn, zoals in Duitsland. Hij vertelt over zijn dag. Hij heeft een repetitie voor de première van Exiles van James Joyce overgenomen van regisseur Luk Perceval, die halsoverkop wegens familieomstandigheden terug moest naar België. Hij heeft zich gemengd in heftige discussies tussen het Rotterdamse Wunderbaum en Duitse acteurs die samen een voorstelling voorbereiden. En hij leidt de journalist trots rond door ‘zijn gebouw’, waar alles bij elkaar zit.

Langs drie zalen gaat de rondleiding, de repetitieruimtes, de zagerij en de staalafdeling van de decorbouwers. Terwijl een acteur een zestiende eeuwskostuum past voor Maria Stuart, dankt een jongen op de kostuumafdeling Simons voor het boek dat het personeel voor de Kerst heeft gekregen. Mitten in der Welt, heet het. Het gaat over wat de Münchner Kammerspiele in zijn intendantsperiode heeft gedaan. „Een beetje vroeg, want het is pas deze zomer afgelopen. Maar ik kon niet wachten”.

Duits model

Simons zou de eerste zijn die het Duitse model, waarbij theater en gezelschap één organisatie vormen, naar Nederland zal brengen. Maar vorige week werd bekend dat ook de Haagse Schouwburg en het Nationale Toneel een fusie onderzoeken. „We moeten met verschillende modellen experimenteren. Het theaterland verkeert in Nederland in ademnood. Ik maak me zorgen dat behalve in Amsterdam, en misschien Den Haag, we in Nederland vooral halfvolle zalen hebben voor repertoiretoneel. Daar moeten we geen genoegen mee nemen”, zegt hij. „We moeten het imago van toneel verbeteren, zorgen dat er een grotere culturele elite komt die het theater weer opzoekt en het onderscheid kan maken tussen amusement en toneel dat tot nadenken stemt.”

Gezelschappen en theaters missen een identiteit, vindt Simons. „Dat ligt niet per se aan de kunstenaars, maar aan de manier waarop ze in de markt worden gezet. Ik wil het publiciteitsbudget in Rotterdam heel sterk vergroten. We moeten naar buiten, naar buiten, naar buiten!”, zegt hij terwijl hij op zijn tafel slaat.

De kritiek die na zijn benoeming te horen was – dat het Duitse model in Nederland niet zou werken, dat hij de plek van aanstormend talent inneemt, dat hij een machtsspeler is – heeft hem pijn gedaan. „Ik ben niet zomaar iemand, ik heb iets bereikt. Waarom zou je mij niet gebruiken met mijn ervaringen met het Duitse model? Soms denk ik ook: Waarom ga ik dit eigenlijk doen? Ik ben genoeg beledigd. Maar ik ben het gewend. Het is een goede opdracht voor mij, want het is een onmogelijke opdracht. Ik wil nog één keer het beste van mezelf vergen.”

Hij beseft ook wel dat hij met andere budgetten moet werken. „Maar dat betekent niet dat we niks van de Duitsers kunnen leren. Mensen in deze stad identificeren zich met dit theater en ensemble. Ik word hier afgerekend op twee soorten succes. Publikumserfolg: Dat betekent dat ik een minimale gemiddelde zaalbezetting van 70 procent moet halen. Maar ook Feuilletonserfolg: je programma moet in de culturele katernen van kranten, door politici en in de publieke opinie als omstreden worden beschouwd.

„Bravo’s komen hier net zo vaak voor als boegeroep. Ik heb het de eerste twee jaar heel zwaar gehad. Je moet eraan wennen dat soms een halve zaal wegloopt. Je moet mensen overtuigen van je visie. Ik heb de cafés opgezocht waar kunstenaars en politici komen om uit te leggen wat ik wil. In het Duitse theater krijg je gespierde hersens.”

Simons zegt in München geleerd te hebben om samenhang te brengen in een programma. „De dramaturgie is de belangrijkste afdeling hier. Mijn vijf dramaturgen komen elke maandag voor een lange vergadering bijeen. Die gaat over repertoire, over bezetting, maar ook over het randprogramma, waar acteurs verplicht aan mee moeten werken. Als je hier Das schweigende Mädchen doet, een stuk van Elfriede Jelinek over het proces tegen de neonazi-jongeren die tien mensen hebben vermoord, dan organiseer ik daar debatten bij. Zonder dat ik een schouwburgdirecteur ruimte hoef te vragen.”

Rotterdamse haven

Ellen Walraven, directeur van de Rotterdamse schouwburg, en Erik Pals, zakelijk directeur van het Ro Theater, zochten hem op in München om meer te leren over het Duitse model. „Toen zij vertelden van hun plan voor een fusie, kon ik niets anders zeggen dan dat ik er zelf veel voor voelde om die te gaan leiden.”

Met zijn gezelschap Hollandia maakte Simons al in 1999 plannen om hét Rotterdamse gezelschap te worden. „Onze zakelijk leider Jan Zoet is toen wel directeur van de schouwburg geworden. Ik knapte af na een gesprek met een CDA-raadslid.” In 2006 sprak hij weer met Zoet over een fusie tussen schouwburg en Ro Theater. Weer zonder succes. „Nu kan ik toch verder met ons oude plan.

„Ik kan dit alleen in Rotterdam. Ik ben twaalf kilometer van Rotterdam geboren. Met mijn moeder ging ik er kleren kopen als de kinderbijslag was gekomen. Mijn ooms uit de Hoekse Waard stonden in Rotterdam op de markt. Mijn vader was de ene week gelovig en de andere week naar Feyenoord. Ik ben veel in De Kuip geweest. Ik heb er op de Dansacademie gezeten. En ik houd van de Rotterdamse architectuur.”

Erasmus en ‘arbeidersdrama's’

Hij beseft dat Rotterdam een lastige stad is. „Het is geen stad van culturele omnivoren als Amsterdam.” Maar hij heeft al ideeën over repertoire. „Ik wil de Lof der Zotheid van Erasmus als leidraad nemen. En ik wil weer terug naar de arbeidersdrama’s – al vind ik dat een rotwoord – die ik vroeger heb gedaan, zoals de Leenane Trilogie. Daarmee kun je een repertoire ontwikkelen dat bij de stad past.”

De angst bestaat dat hij als grote maker de opkomst van jonge talenten zal verstikken. „Nee, juist niet!”, reageert hij. „Mijn vrouw zegt ook altijd: Je moet héél duidelijk maken dat je niet zo denkt. Want als jij met je 68 jaar binnenkomt en gas geeft, dan houden ze al snel hun mond. Dat is mijn bedoeling niet. Ik wil jonge mensen op weg helpen, dat heb ik mijn hele leven gedaan. Ik heb hier in München Suzanne Kennedy aangespoord om een werk voor de grote zaal te maken, terwijl ze alleen nog maar kleine zaalproducties deed. Nu geldt ze als de grote jonge ster in Duitsland.” Hij wil de jonge makers in Rotterdam laten profiteren van zijn netwerk. „Ik kan deuren voor ze openen, in de grote steden Berlijn, Hamburg en München. En dan niet voor één keer, nee, voor twee keer. Want dan kun je een keer mislukken.”

Het Ro Theater zoekt nog een artistiek leider, die hij zal opleiden. „Er is een benoemingscommissie en daar zit ik niet in. Ik ga daarna die persoon helpen een organisatie van meer dan honderd man te leiden. Dat is iets anders dan regisseren. En misschien moet je nu nog niemand benoemen. Gewoon met een aantal jonge makers aan de slag en dan zien wie er op natuurlijke wijze de leiding gaat nemen.” Hij zal zelf geen producties voor het Ro Theater maken. „Ik zal alleen grote internationale producties doen. Maar die gaan op geen enkele manier drukken op het budget van Ro Theater of schouwburg. Dat leggen we contractueel vast. Daar zal ik zelf voor financiering moeten zorgen.”

Zo is hij al bezig om Accattone, dat hij voor de Ruhrtriënnale maakt, in 2016 naar de Rotterdamse havens te halen. Ook regelt hij een productie die hij in 2016 met Pierre Bokma gaat maken: Reis naar het einde van de nacht van Céline. „Daar zie ik enorm naar uit. Pierre en ik zijn het zelfde: we zijn allebei onverzadigbaar. In die voorstelling gaat Pierre zes uur lang het podium op. Alleen. Het publiek kan pauzeren om te eten, hij niet, hij moet door. Ik wil weten waar zijn bodem wordt bereikt, waar die ligt voor een acteur. Maar eerlijk gezegd denk ik dat hij ook nu niet door die bodem heen zal zakken.”