Woest

Voorspellen is zinloos, behalve voor mensen die het zeggen van ‘ik zei het toch’ een zinvolle bezigheid vinden. Ik hoorde ooit van een dokter die met elke zwangere patiënt een weddenschap afsloot. Hij zei bijvoorbeeld: het wordt een jongetje, terwijl de moeder dacht dat het een meisje werd. „Ik schrijf in mijn agenda: jongetje!”, zei de dokter. Stiekem schreef hij ‘meisje’ op. Als de bevalling achter de rug was, en het was een jongetje, won de dokter de weddenschap. Als het echter een meisje was, dacht de moeder gewonnen te hebben, maar dan toverde de dokter zijn agenda tevoorschijn en liet zien: hij had toch echt meisje opgeschreven. Gek dat de moeder dat nou verkeerd onthouden had. Hormonen, hè.

Maar nu toch ook een voorspelling van mij. Ik kreeg namelijk ‘binnen’ welk woord groot gaat worden in 2015 (en je kunt het bovenaan dit stukje eigenlijk al zien staan!). Juist, het woord ‘woest’. Sinds een aantal jaar is woest al een vrij populair synoniem voor boos („Ja, nee, ze moeten niet aan mijn cavia’s komen, dan word ik woest!” „Rustig maar lieverd.”)

Daarnaast werd ‘woest’ min of meer ironisch gebruikt in zinnen als: „Herman is een woest aantrekkelijke man, daar zijn we het op kantoor allemaal over eens.”

Maar een nieuw gebruik van woest hoorde ik uit de mond van Alexander Pechtold. Ik luisterde met een half oor en ik viel er middenin, dus veel context heb ik niet, maar het ging over de moord op Els Borst. Pechtold was heel ernstig en grootogig, en sprak een zin uit waarin voorkwam: „Het lijkt me ook woest ingewikkeld.”

Kijk, woest ingewikkeld. Dan is de deur open gezet voor een veel vrijer gebruik van woest. „Die vrouw is woest hysterisch, maar ze bakt woest lekkere brownies.” Of: „Zo. Hallo. Woest praktisch bezig met die schutting, buurman!”

Als woest echt aanslaat, dan wordt het natuurlijk ook de ideale jongensnaam. Dit is Bink, dit is Scherf en dit is Woest. Dan zijn we alweer in 2018, vermoedelijk. Maar dan heb ik het nu alvast genoteerd.