Wetenschap, duld die meekijkers

Als het om wetenschap gaat, lijken er twee groepen mensen te bestaan: zij die wetenschap bedrijven en zij die wetenschap consumeren. Die laatste groep heet ‘de burger’, ‘het publiek’ en tegenwoordig ‘de stakeholder’ van wetenschap. Maar elke wetenschapsbeoefenaar is slechts werkzaam op een beperkt terrein en voor de rest evengoed een buitenstaander. „Ik ben wereldjeberoemd”, zei de socioloog Bram de Swaan ooit, met nu ouderwets aandoende zelfrelativering.

Wetenschapsbeoefenaren zijn dus eveneens publiek, patiënt of anderszins een afnemer van wetenschap. Zij zouden zich daarom zorgen moeten maken over het tekort aan inspraak van buitenstaanders in wat wetenschappelijke specialismen doen. De meeste wetenschappers vinden ‘academische vrijheid’ echter een volstrekt vanzelfsprekend recht, kennelijk zonder te beseffen dat deze hun rechten als burger kan schaden. Dat blijkt weer in het debat over de Wetenschapsvisie 2025, onlangs uitgebracht door het kabinet. De verontwaardiging van veel academici over de mogelijke inperking van hun vrijheid dampt op uit de krantenpagina’s.

Er is echter geen enkele andere maatschappelijke sector die andermans geld vrijelijk mag besteden en daarmee ook nog andermans heden en toekomst mag bepalen. Al ben ik zelf hoogleraar, mij klinkt het academisch exceptionalisme onverstandig en zelfs arrogant in de oren. Het eist vanzelfsprekend vertrouwen op, terwijl vertrouwen nooit onvoorwaardelijk kan zijn en bovendien door nogal wat wetenschap met haar zucht naar geld of eer flink op de proef wordt gesteld. De legitimatie van het haast argeloze verwachten van vrijheid is het al even argeloze geloof dat wetenschap de realiteit bloot legt, mits ze deze niet vertekent door commerciële belangen en regelrechte fraude. Ze zou dan slechts een neutrale spreekbuis van de werkelijkheid zijn, zodat ‘peer review’ door de kleine kring waarin men wereldjeberoemd is – of hoopt te worden – afdoende moet zijn.

Nu wil ik de Wetenschapsvisie 2025 niet in alle opzichten steunen, want de verdere commercialisering van wetenschap zonder het inbouwen van degelijke veiligheidskleppen is een grote misser in die visie. Als belastingbetaler en, gewild of ongewild, afnemer van wetenschap ben ik echter blij met één specifiek aspect: het kabinet steunt het internationaal groeiende inzicht dat de uitzonderingspositie van de wetenschappelijke sector niet te rechtvaardigen valt. Want inderdaad, het idee van wetenschap die ‘de’ werkelijkheid ‘ontdekt’, is niet realistisch. Wetenschappelijk onderzoek, gefinancierd met wiens geld dan ook, geeft de werkelijkheid veel meer vorm dan dat ze hem bloot legt.

Dat doet zij om te beginnen via de problemen die ze zelf definieert en vervolgens via de wijzen waarop ze deze aanpakt. Aan elk ontworpen product en aan elk tot stand gebracht feit liggen onvermijdelijk beslissingen ten grondslag. In psychofarmaca zitten ideeën verstopt over wat een goed functionerend mens of dier mag heten, armoedecijfers zijn op definities van armoede gebaseerd. En dan zijn er nog vele besluiten nodig over de manier waarop er wordt geteld, gemeten, getest en behandeld moet worden. Het is juist vanwege dit zachte karakter van wetenschap dat commerciële belangen beteugeld moeten worden.

Degenen die voor academische vrijheid pleiten, benadrukken ook de noodzaak van ‘fundamenteel’ of ‘nieuwsgierigheid gedreven’ onderzoek. Daar zit wat in, want toevalscreaties kunnen welkom zijn. Toch is het een reële vraag hoe lange tijd de kostbare belofte van toevalscreaties een belofte mag blijven. Bedenk bovendien dat door nieuwsgierigheid gedreven onderzoek eveneens onvermijdelijk een ingreep is in de realiteit. Het is uit pure nieuwsgierigheid dat kinderen de pootjes uittrekken van een mug. Of denk aan volwassen onderzoekers die uit louter belangstelling het DNA van verschillende organismen mengen of proberen dierlijke foetussen in kunstmatige baarmoeders te kweken.

En hadden universitaire medewerkers niet veel eerder massaal te hoop moeten lopen tegen de commercialisering van wetenschap? Is het niet zo dat de meesten nu pas protesteren, nu de minvermogende burger ook inspraak dreigt te krijgen, die hen daarvoor geen extra onderzoeksgeld biedt? Het wordt juist hoog tijd dat buitenstaanders de wetenschap niet langer klakkeloos bewonderen (of verguizen), maar serieus gaan meekijken in de private zowel als publieke keukens die hun kostjes koken. Niet alleen is elke wetenschapper zelf tevens afnemer van onderzoek, andersom kunnen mensen zonder universitaire aanstelling zinvolle kennis bijdragen. Als zij informeren naar ingrediënten, of nadenken over de herkomst daarvan, en zelfs als ze eigen recepten ontwikkelen, hoeft dat geen populistische ontkenning van de expertise der beroepskoks te zijn.