Vertraging is de nieuwe groei

De ‘goedereneconomie’ kan de wereld van het snelle geld al lang niet meer bijbenen. Maar herstel is er wel degelijk – het gaat alleen niet zo snel.

Illustratie Rik van SCHAGEN

De winkelruiten zeggen het recht voor z’n raap. Uitverkoop. Sluiting. Bankroet. Vertrouwde merken eindigen in handen van een curator. Van wereldberoemde merken als Mexx tot de 100-jarige Amsterdamse kantoorboekhandel Gebr. Winter, waar ik 1969 m’n eerste schoolspullen kocht. Een passer voor de wiskundeles.

Consumenten zijn zuinig omdat hun besteedbaar inkomen traag groeit. Huizenkopers zijn zuinig omdat er zoveel huizen te koop staan dat zij geen haast maken en kieskeurig zijn. Bedrijven zijn zuinig met loonsverhogingen omdat er genoeg werknemers en zzp’ers werk zoeken. Banken zijn zuinig met krediet omdat de economie traag groeit. De overheid is zuinig omdat de trage economie naast hoge uitgaven juist traag groeiende inkomsten oplevert.

Groei is traag.

Wat betekent dat in 2015 voor de economie, voor de samenleving en voor de politiek? En wat moet u ermee? In drie woorden: discrepantie, restricties en hoop.

In 2015 zullen wij het in die trage economie moeten hebben van de trage markten.

De trage markten staan voor de goedereneconomie, voor fabrieken, bedrijven, dienstverleners. In de goedereneconomie werkt de massa. Het tempo is aangejaagd door snelle communicatie en automatisering, maar het kost nog steeds tijd voordat een bedrijf een nieuwe productielocatie in gebruik kan nemen. Voordat een woonhuis is gebouwd, verkocht en ingericht. Voordat werknemers zich nieuwe kennis en vaardigheden eigen hebben gemaakt.

Het hoopvolle nieuws: hier en daar zie je versnelling. Zoals bij de export. De grote voedings- en agrobedrijven en het industriële paradepaard ASML uit Veldhoven, de wereldmarktleider in chipmachines.

Maar per saldo zijn de trage markten de verliezers van zes jaar economische crisis.

Wie zijn dan wel de winnaars?

De geldeconomie. Dat is de overtreffende trap van de goedereneconomie. De geldeconomie is de snelle, ja, de ultrasnelle economie. In de geldeconomie heerst het sentiment op de financiële markten. Sinds de liberalisering van markten en economieën die na 1979 in gang zijn gezet door Thatcher (Verenigd Koninkrijk), Reagan (Verenigde Staten) en Lubbers (Nederland) is de geldeconomie onherkenbaar veranderd. Wat een smeermiddel was voor de goedereneconomie, is nu een dynamo die zelf kan doordraaien. Zie de kredietcrisis van 2008.

Alles is handel: aandelen van bedrijven, schulden van landen, olie, rente, kunst en alles wat je verder kunt verzinnen. Dat zijn de markten die in een oogwenk reageren op nieuw nieuws, zij hebben de onhebbelijke eigenschap dat zij van tijd tot tijd overdrijven. Zij vliegen omhoog. Ze storten in. Ze zijn ongelooflijk machtig, niet alleen vanwege de kolossale kapitalen die worden ingezet, maar ook omdat de uitkomsten snel doorsijpelen naar die andere economie, de goedereneconomie. Neem de val van de olieprijs, die olieproducenten tart en automobilisten pleziert.

De winst van de geldeconomie is onthutsend. Juist de speculaties in de geld- en bankeneconomie waren de bron van de kredietcrisis, de economische crisis en de eurocrisis. In de geldeconomie zijn de afgelopen jaren verbluffende kapitalen verdiend. Ook daardoor is ongelijkheid, met name de ongelijkheid van vermogen, nog schrijnender geworden.

Denk 2014 en je hoort het woord van het jaar: Dagobertducktaks. Denk 2014 en je ziet de zegetoer van de Franse held van links, Thomas Piketty, die voorspelt dat resultaten uit het verleden wel degelijk garanties zijn voor de toekomst.

Het afgelopen jaar gaf hem gelijk.

Het rendement op kapitaal, gemeten als de koerswinsten van de internationale beursgraadmeter MSCI staat op 6 procent, met een uitschieter naar 13 procent voor Noord-Amerikaanse aandelen.

Het rendement op arbeid, gemeten als de stijging van de cao-lonen gecorrigeerd voor prijsstijgingen is in Nederland nog maar nipt positief. Met dank aan trage loonstijgingen en de lage inflatie.

Het rendement op spaargeld is hier, na belastingen, ronduit negatief.

Kortom: de spaarder verliest, de werknemer ziet stagnatie en de aandelenbelegger wint. En dat eigenlijk al sinds de kredietcrisis van 2008.

1De geldeconomie en de goedereneconomie lopen uit de pas

Deze discrepantie is in een notendop het probleem waar de politieke en economische leiders in de westerse wereld geen raad mee weten. Twee vragen blijven al jaren onbeantwoord. Hoe krijgen we het kapitaal van de geldeconomie naar de bedrijven in de goedereneconomie? En waarom investeren juist grote en winstgevende ondernemingen niet meer dan zij nu doen?

Niemand kent dé oplossing. Iedereen probeert van alles. Ook leiders zijn net mensen. Maar ondertussen vlucht een deel van hun kiezers naar partijen aan de politieke flanken.

Om de discrepantie in Nederland het hoofd te bieden, komt minister Kamp (Economische Zaken, VVD) met steeds weer nieuwe initiatieven om de kredietverlening aan bedrijven te versoepelen. Het wachten is al anderhalf jaar op concrete acties van pensioenfondsen om meer van hun 1.000 miljard euro kapitaal in de Nederlandse economie te investeren.

De Europese Centrale Bank (ECB) houdt de rente zo historisch laag als die nog nooit is geweest. Dat moet ondernemers en huizenkopers stimuleren. Maar omdat die lage rente niet genoeg heeft geholpen, heeft de ECB extra leningen tegen lage rente verstrekt aan banken die dat op hun beurt moeten uitlenen aan kleine(re) bedrijven. Het loopt geen storm: banken hebben voor dit doel ruim 200 miljard euro geleend, terwijl een veelvoud beschikbaar is.

De nieuwe Europese Commissie heeft inmiddels ook een ambitieus investeringsplan ontvouwd. Maar ook hier: een overschot aan plan, een tekort aan actie.

Maar omdat het allemaal niet opschiet – niet in Nederland, niet in Europa – staat de ECB tot chagrijn van de Duitse centrale bank klaar met de grootste ijsemmer. Ga de uitdaging aan en pomp extra geld in het economisch systeem door schulden op te kopen, zoals de Amerikaanse en de Japanse centrale banken hebben gedaan.

Maar de ultralage rente waarmee de geldeconomie de goedereneconomie moet stimuleren, doet ook iets heel anders: het stimuleert ongelijkheid van vermogens. Juist omdat die officiële rente zo laag is, zijn die aandelenkoersen én die obligatiekoersen zo hard gestegen. Omdat zoveel beleggers zelf afgerekend worden op hun rendement, blijven zij geld in de geldeconomie steken.

2 Strenger optreden is de norm

Politici én toezichthouders beperken de economische en financiële liberalisering van de laatste 35 jaar. De nieuwe groei is regelgroei.

Europese banken zijn met ingang van eind dit jaar onder strenger en eenvormig Europees toezicht gekomen. Hun buffers om tegenvallers te weerstaan, worden verplicht hoger. De betaling van bonussen wordt beperkt.

In Nederland worden de voorwaarden waartegen banken woninghypotheken verstrekken elk jaar wat aangesnoerd. Werkgevers moeten beter op hun tellen passen: nieuwe arbeidswetgeving is op komst, bestaande anti-corruptiewetgeving wordt met verve toegepast. Wordt de recordschikking van justitie van 192 miljoen euro met SBM Offshore (omkopingen) volgend jaar overtroffen?

Ondernemingen krijgen een ‘zorgplicht’ als hun onderaannemers zakendoen met werknemers uit Midden- en Oost-Europa. Bij overtredingen en schijnconstructies kan de rekening naar boven worden doorgeschoven, inclusief het risico dat de inspectiedienst van het ministerie van Sociale Zaken je overtreding met naam en toenaam openbaar maakt. Het kabinet onderzoekt ook manieren om de ruim 800.000 ‘vrije jongens’ (m/v) op de arbeidsmarkt meer in te snoeren: minder fiscale voordelen ten opzichte van gewone werknemers, meer verplichtingen voordat je zzp’er bent.

3 Straf of nieuwe hoop?

Voor de consument betekent dit: traag herstel. Maar wel herstel. De ultralage rente en de anti-liberaliseringsmaatregelen zullen zich doen voelen.

Nieuwe regels, met nieuwe uitzonderingen, beteken: alles wordt ingewikkelder. Stroperiger. Terwijl het kabinet de regeldruk juist zegt te willen verlagen. Meer aanvaringen met de bureaucratie, die zich intensiever bemoeit met bedrijfsleven, arbeidsrelaties en op gemeentelijk niveau met de langdurige gezondheidszorg. Meer paarse krokodillen.

Zzp’ers krijgen het lastiger. De scheidslijn tussen ondernemerschap en wérknemerschap wordt weer scherper. Maar leidt dat ook tot extra groei?

Uw eigen toekomst plannen was al ingewikkeld. Voor welke kennis en kunde moet ik mij (om)scholen. Hoe bestuur ik een robot? Hoe kweek ik nog een appeltje voor de dorst? Juist vanwege groeiende bemoeienissen van overheden worden regels onvoorspelbaarder.

De tegenstellingen die zich openbaren worden lastiger uit te leggen. De liberale minister Kamp bedrijft in het kader van het Energieakkoord ‘ouderwetse’ industriepolitiek. De windmolensector stimuleren, kolencentrales laten sluiten. Industriepolitiek was links, nu is het liberaal. Hetzelfde geldt voor wel of niet boren naar schaliegas? De centrale overheid beslist. Ook dat is industriepolitiek. Energie schuift stilletjes omhoog op de politieke prioriteitenlijst.

De groeiende restricties op de economische en financiële liberaliseringen komen tegemoet aan de onderstroom in de vergrijzende samenleving. In zo’n samenleving zijn burgers wat meer gericht op zekerheden, wat conservatiever, wat minder willig om risico’s te nemen.

Dat zie je nog het best bij de overheid zelf en het vasthouden aan de beproefde begrotingspolitiek. Andere oplossingen, zoals een expansief investeringsbeleid voeren, zijn als vloeken in de kerk. Dus moet het overheidstekort kleiner worden door uitgaven te limiteren. Dus is loonmatiging nog steeds een politieke lieveling.

En de ultralage rente dan, kunnen we daar niet van profiteren? De ECB geeft het geld bijna gratis weg, maar we doen er niks mee. De lage rente is straf voor spaarders en pensioengerechtigden. Dat zou nog te dragen zijn, als er hoop tegenover staat. Hoop dat het muntje valt dat die lage rente juist nu gebruikt moet worden voor groeiversterkende investeringen.

Maar dat muntje valt traag.