Twitter vertelt niet wat er leeft

Een paar tweets vertellen ons niets. Journalisten moeten ophouden tweets te gebruiken als vox populi, aldus Linda Duits en Rens Vliegenthart.

Foto Thinkstock

Hét woord van 2014 was ophef. Dit jaar ontstond er ophef over oliebollen, blauwe vinkjes, holocaustselfies, het zogenoemde Zara-Auschwitz kinderpakje, een versiercoach, Onno Hoes, Dries Roelvink en het gezicht van een voetbalvrouw. Dan hebben we het nog niet eens over Zwarte Piet of over alle politieke ophef, bijvoorbeeld over de PvdA, haar geagiteerde leider en haar muitende Eerste en Tweede Kamerleden.

De beroering ontstond in veel gevallen op sociale media, in het bijzonder op Twitter. Nieuwsmedia maakten er dankbaar gebruik van. Er ging geen week voorbij of Twitter was ‘ontploft’. Maar de woorden ‘ophef op Twitter’ horen niet thuis in een serieuze nieuwsrubriek.

Sinds de verkiezingen van 2002, toen de Lijst Pim Fortuyn verraste, vinden veel nieuwsorganisaties dat ze de voeling met hun lezers of kijkers hebben verloren. Journalisten hadden de grote politieke onvrede onder delen van de Nederlandse bevolking niet voorzien. Deze vermeende kloof tussen burger en journalistiek leidde tot de veelvuldige inzet van voxpop en overvloedige aandacht voor opiniepeilingen.

Daar is nu ophef op Twitter bijgekomen. Sociale media maken zichtbaar en doorzoekbaar wat vroeger wel gebeurde, maar niet na te lezen was. Journalisten zijn Twitter gaan gebruiken als gemakkelijke plek om te zien wat er leeft bij de spreekwoordelijke dorpspomp. Het gesprek van de dag wordt gevat met een overzichtje van tweets.

Media lijken de klassieke voxpop – waarin willekeurige burgers de kans krijgen hun mening te geven – te vervangen door uitingen op sociale media. En ze gebruiken vooral Twitter. Een simpele zoekopdracht laat zien dat er dit jaar (tussen januari en 22 december 2014) in vier landelijke dagbladen (NRC Handelsblad, Volkskrant, Telegraaf en Trouw) 3.963 keer naar Twitter of tweets werd verwezen. Dat is aanmerkelijk meer dan in 2013 (3.709 keer) en 2012 (3.700 keer).

Twitter als maatstaf voor de publieke opinie is om diverse redenen problematisch. Tweets worden zelden geteld of op inhoud of sentiment geanalyseerd. Meestal volstaat de journalist met een kleine selectie die de term bloemlezing niet mag dragen. Maar ook als journalisten systematisch naar tweets zouden kijken, zouden ze de plank misslaan. Twitteraars zijn namelijk te jong, te hoogopgeleid, te politiek geïnteresseerd en te vaak man om een representatieve afspiegeling van de bevolking te vormen. Wat Twitter vindt, staat dus niet gelijk aan wat de bevolking vindt.

Zelfs als Twitter representatief was én journalisten grondig zouden analyseren wat er werd gezegd, zijn de resultaten vertekend. Een kleine groep twitteraars neemt de bulk van Twitter voor zijn rekening. Deze luidruchtige minderheid gebruikt meer hashtags, meer links, mentiont meer mensen en retweet twee keer zo veel als de zwijgzame meerderheid, zo blijkt uit onderzoek. Dit geldt ook voor specifieke groepen, zoals Britse politici. Todd Graham van de Rijksuniversiteit Groningen constateerde dat achttien procent van deze groep samen bijna tweederde van de tweets plaatste. Er was een zwijgzame meerderheid van 64 procent van de kandidaten die ieder niet meer dan vijftig tweets hadden gepost.

Op sociale media worden ervaringen en gevoelens realtime geuit. Die hebben niet dezelfde status als een mening. Over elk willekeurig onderwerp kan wel een aantal verontwaardigde tweets worden gevonden. Een tweet is bovendien geen opiniestuk. ‘Voelen wat er leeft’ is niet hetzelfde als het selectief voorlezen van sentimenten.

Zo’n lezing zonder duiding – zonder analyse van thema’s en patronen, zonder gevolgtrekkingen – vertelt ons niets. Al die verslagjes van de stem van ‘gewone’ of ‘bekende’ Nederlanders zijn niets meer dan goedkope en gemakzuchtige vulling. Het kost weinig geld om zulke items te maken en ze ontberen inhoudelijke waarde.

Ze leveren geen betere inzichten op: de pers toonde zich dit jaar bijvoorbeeld alsnog uiterst verbaasd over wat de PVV-aanhang vindt, zo getuigen de bozige hoofdredactionele commentaren op het ‘minder minder minder’-voorval. In die zin kunnen we dus stellen dat de journalistiek faalt in de zelfbenoemde taak een adequaat inzicht te geven in wat er leeft onder de bevolking. Een maatschappelijke barometer vraagt om tijd en analytische vaardigheden, juist twee zaken waaraan het journalisten vaak ontbreekt.

Voxpop gebaseerd op Twitter heeft schadelijke effecten. Het roept irritatie op en voedt het (foutieve) idee dat sociale media de samenleving onbeschofter maken. Het is een fenomeen dat past bij de obsessie van veel journalisten met ‘de’ publieke opinie. Die obsessie komt ook naar voren in de overvloedige en onjuiste rapportage over politieke peilingen. In zulke berichtgeving worden verschillen die berusten op statistisch toeval uitvergroot en overgeanalyseerd. Kiezers laten zich vervolgens in hun stemkeuze wel leiden door zulke berichten over niet-bestaande verschuivingen.

Representatie is voor media één van de grootste uitdagingen van de moderne parlementaire democratie waarin fragmentatie en pluriformiteit hoogtij vieren. Wie denkt dat sociale media een oplossing van dat eeuwenoude dilemma zijn, lijdt aan chronocentrisme. Het huidige tijdperk is niet het belangrijkste tijdperk uit de menselijke geschiedenis – en ophef op Twitter is geen indicator voor politieke of maatschappelijke onrust.

Het zou nieuwsmedia sieren als ze in 2015 sociale media daarvoor niet meer gebruiken. De 13,5 miljoen Nederlanders zonder Twitter interesseert het bovendien weinig wat twitteraars vinden. Twitteraars zelf lezen liever gewoon op Twitter wat de mensen die zij volgen vinden.