Column

Kerstdiner

We herinnerden ons allemaal het vorige kerstdiner: de soep was te dik, de ragout te dun en de kalkoen aangebrand. „Kijk oma”, probeerde haar jongste kleinkind mijn moeder te helpen, „als we de soep in de pasteitjes gooien lukt het wel.” Maar mijn moeder huilde bittere tranen toen ze zuchtend het nagerecht – Viennetta-ijs van Ola – nog in de kartonnen doos op een schaal serveerde.

Ook mislukt?

Mijn moeder: „Misschien te vroeg uit de vriezer gehaald.” Na afloop sprak ze nog lang over ‘het rampjaar 2013’, waarna wij in gezamenlijkheid besloten dat ze met Kerstmis niet meer hoefde te koken.

Ze was de eerste, het was begin november, die een tafel reserveerde in een restaurant aan de Emmastraat in Velp, waar we op Eerste Kerstdag in optocht naar toe wandelden. De regen sloeg ons in het gezicht.

Velp was ondanks de kerstverlichting nog gewoon Velp. Vanuit een flat op de Brugweg werd een kanonslag naar beneden gegooid.

„Kiek ze schrikken dan…”

Het restaurant heette ‘Kleur’, reden voor mijn broer die zoals het zo mooi heet een visuele beperking heeft, om af te trappen met zijn vaste grap: „Nou, ik zie er niets van.”

We werden aan een ronde tafel gezet. Ik naast mijn nichtje van twaalf van wie de smartphone was afgepakt omdat ze constant foto’s van haar gekke familie deelde met een groep vriendinnen. De menukaart had een bijzondere vormgeving: de gerechten stonden in kerstballen geschreven.

De ober bood zijn excuses aan: „Priegelwerk, we hebben een te klein lettertype gekozen. Het is bijna onleesbaar.”

Mijn moeder prutste aan haar gehoorapparaat. Er kwamen veel geluiden binnen, vooral van andere tafeltjes, maar van dichtbij verstond ze niets. „Wat zegt u?”, zei ze tegen de ober.

De ober: „De menukaart is bijna onleesbaar!”

Mijn moeder: „Ik hoor niets!”

Even later zei ze bij ieder gerecht wat of mijn vader daarvan zou hebben gevonden. Eend vond hij niets, maar varken was lekker. Wisten we nog dat ze tijdens de laatste wandelingen samen in het bos twee keer hetzelfde everzwijn waren tegen gekomen? Wij wisten.

Het jongste nichtje van negen zakte tijdens het wachten op het hoofdgerecht steeds dieper weg in haar stoel. Ze keek om de tien minuten op haar horloge en zei dan, op het laatst bijna wanhopig - ‘al 57 minuten…!’ - hoe lang het wachten duurde. Aan het eind kwam de ober zeggen dat van iedere euro fooi vijftig cent naar de voedselbank in Velp ging.

„Voed-sel-bank!”, herhaalde mijn zus richting mijn moeder. Mijn moeder: „Nee, dank u wel. We hebben echt genoeg gehad.” Weer thuis vertelden we haar dat het gezellig was geweest.