Journalistiek is speelveld van de gegoede klasse

Het ontslag bij Trouw van frauderend journalist Perdiep Ramesar leidt tot onrust in de journalistiek. De context van dit schandaal laat een even klassiek als dramatisch probleem zien: het vak is het exclusieve speelveld geworden van de gegoede klasse, meent Mark Deuze.

Op maandag 10 november 2014 werd journalist Perdiep Ramesar ontslagen bij dagblad Trouw na een intern onderzoek van de redactieraad, waaruit bleek dat hij regelmatig een journalistieke doodzonde had begaan: het verzinnen van bronnen. Daarna werd een externe onderzoekscommissie ingesteld die op 10 december haar rapport presenteerde. Daarin wordt bevestigd wat de redactie al vermoedde: van een wezenlijk gedeelte van Ramesars verhalen kan de waarheid niet geverifieerd worden. Naar aanleiding van zijn ontslag en de publicatie van het onderzoeksrapport werd direct verwezen naar zijn Hindoestaanse achtergrond – weliswaar niet als oorzaak van zijn gedrag, maar wel als verklaring voor de manier waarop met zijn artikelen en zijn aanwezigheid op de redactie werd omgegaan.

In een exemplarische reactie schreef GroenLinks-politicus Tofik Dibi op zijn weblog dat de verklaring voor dit alles gezocht moet worden in de enorme behoefte van Nederlandse nieuwsmedia aan „smeuïge verhalen over de multiculturele samenleving” aan de ene kant en het gegeven dat zij een nagenoeg compleet witte redactie hebben aan de andere.

Dibi heeft gelijk: redacties in Nederland zijn wit. Uit representatieve studies onder journalisten in Nederland blijkt dat twee procent een allochtone herkomst heeft (ten opzichte van ruim twintig procent allochtone Nederlanders). Minder dan vier procent van alle afstuderende studenten journalistiek in Nederland is niet-Westers allochtoon. Einde verhaal, zo lijkt het: er is te weinig etnische diversiteit in de media, waardoor de enkele allochtone collega een welhaast onmogelijke positie inneemt, belast als hij is met het gewicht van de hele multiculturele samenleving.

Nu is de zorg om het geringe aantal allochtone journalisten werkzaam op Nederlandse redacties belangrijk, maar ook beperkt. Het gaat uit van een spiegelprincipe: de aanname dat een redactie met een samenstelling gelijk aan de compositie van de samenleving noodzakelijkerwijs meer pluriform nieuws produceert. Hoewel een kleurrijkere redactie wel degelijk nodig is voor de dagelijkse confrontatie met diversiteit, suggereert onderzoek steevast dat de cultuur van een nieuwsorganisatie een veel sterkere invloed heeft op nieuwswaarden en -selectieprocessen dan het al dan niet aanwezig zijn van minderheden zoals vrouwen, jongeren of allochtonen. Dit maakt nieuwsgierig: wat is er dan wél aan de hand bij Trouw en in de journalistiek? Hoe wordt zo’n eenvormige en eenkennige cultuur in stand gehouden? Het antwoord: de journalistiek is (net zoals andere beroepen in de creatieve industrie, waaronder ook de wetenschap) het domein van een kleine maatschappelijke elite – mensen die zich het kunnen veroorloven om voor een carrière in de journalistiek te kiezen.

Redactionele vacatures worden tegenwoordig vooral gevuld met het aannemen van mensen op verlengde stage- en werkervaringsplaatsen tegen een minimale vergoeding en door mensen met tijdelijke contracten (van enkele maanden tot een jaar) zonder redelijk uitzicht op een vaste aanstelling. Het aandeel freelancers is gestegen van dertien procent in 1993 tot ongeveer de helft in 2013. Recent onderzoek van de Nederlandse Vereniging van Journalisten toont aan dat tarieven voor freelancers over de hele linie de laatste tien jaar scherp gedaald zijn. Meer dan de helft van de zelfstandige journalisten verdient volgens onderzoek van de Sociaal-Economische Raad maandelijks netto minder dan het minimuminkomen.

Op de redacties van alle Nederlandse nieuwsmedia is daarnaast sprake van een buitengewoon onrustige dynamiek: ontslagrondes en reorganisaties, nieuwe eigenaren en managers, innovaties en bezuinigingen buitelen over en door elkaar heen. Geen enkele positie blijft onaangetast, iedereen voelt de onzekerheid over de toekomst. Mede hierdoor is het beroep uitsluitend toegankelijk voor hoog opgeleide mensen met eigen vermogen en rijke ouders, zonder de zorg voor gezin of familie.

Net zoals in de samenleving als geheel is het werkelijke drama dat de journalistiek treft dat van arm versus rijk: het vak is het speelveld van een gegoede klasse waarbinnen iedereen ongeveer dezelfde bovengemiddelde sociaal-economische status heeft. In zo’n context neemt niemand elkaar de maat meer – want dat doen mensen meestal niet (zo grondig) met zichzelf.

Dat blijkt uit het onderzoeksrapport over de omgangsvormen op de redactie van Trouw: er bestaat „geen traditie van elkaar diep bevragen”, waarbij de cultuur omschreven wordt „van goedgelovig en braaf naar onverschillig en apathisch.” Dit, en de enorme uitzonderingspositie van een allochtone journalist binnen zo’n witte redactie, zorgde ervoor dat niemand fundamenteel met elkaar in debat ging. En dat is precies waar het om draait bij diversiteit: niet om een spiegel van de samenleving, maar om actieve ervaring met en beleving van diversiteit. Niet alleen op straat in de Schilderswijk, maar overal – dus ook in het nieuwsbedrijf.