In huis sluimeren wij en de lichte aardslak

Er zijn vogels die een prachtig nestje bouwen. Er zijn mierenvolken met werkpaleizen. En bevers bouwen burchten. Maar toch, geen huis is als het woonhuis der mensen. In de vroegste tijden was het huis vooral schuilplek. Een bedekking: de oerbetekenis van het Nederlandse woord ‘huis’. Maar daarna en daarbovenop werd het huis de basis van het leven, beladen met culturele betekenissen. Thuislozen gelden als ultiem meelijwekkend. De privéwoning is nu zelfs de laatste plek waar je ‘jezelf’ kan zijn, liggend op de bank in een oude trui, in een korte bevrijding van een complex en modern leven. Het was altijd: my home is my castle, maar nu is het huis identiteit geworden. Psycholoog Sam Gosling schreef een heel boek over hoe je aan interieurs kan zien wat voor mensen in het huis wonen (Snoop: what your stuff says about you, 2009).

Er bestaat nog geen ‘wetenschap van het huis’, maar wetenschappelijk gezien is het concept een rijke uitvalsbasis. Passend bij het behaaglijke feestseizoen rond Kerst brengt de redactie wetenschap daarom nu een huiselijke eindejaarsspecial.

Eerst neemt Piet Borst het Huis van de Wetenschap de maat. En daarna vraagt Dirk Vlasblom: wat maakt een huis tot een huis? Zijn onverwachte conclusie is: niet de haard, maar het bed. Hester van Santen ging op zoek naar het ecosysteem in het moderne huis. Ook zij kwam thuis met iets onverwachts. Wereldwijd ontstaat een uniforme huisbiotoop: lekker droog & warm en overal voedsel. Onlangs arriveerde uit de tropen de wc-motmug in de Nederlandse woningen. De lichte aardslak was er al. En de trilspin.

Marcel aan de Brugh ging kijken hoe van oude woningen perfecte nul-op-de-meterhuizen kunnen worden gemaakt. De verbouwprijs daalt voortdurend, nu al wordt in één keer een nieuwe gevel tegen de pui gezet. De wc-motmug kan gewoon blijven zitten.