Het leven: fictie of dichtvorm?

Elsbeth Etty grasduint door de stapel nieuw binnengekomen boeken en geeft haar eerste indruk.

Kort na elkaar kwamen er twee boeken uit over het leven van Suzanne Leenhoff (1829-1906), de dochter van de beiaardier uit Zaltbommel die als pianiste naar Parijs vertrok, les gaf aan de broers van schilder Édouard Manet, een mogelijk door diens vader verwekte zoon kreeg en in 1863 met de kunstenaar in het huwelijk trad. Uiteraard zijn de lotgevallen van Suzanne in beide boeken vooral een kapstok om een kleurrijk verhaal aan op te hangen over het werk van Manet, diens uitgebreide vriendenkring van schilders en schrijvers en het Parijs van het belle époque.

Hoewel men nooit moet afgaan op flapteksten, is het grappig dat beide boeken de aanbeveling hebben dat het verhaal leest als een roman. Want dat is nu juist zo jammer: de fictieve elementen voegen eigenlijk niets toe aan het schitterende materiaal dat de auteurs hebben verzameld. Het minst zwaar weegt dit probleem in het boek van Coppens (1), die de klassieke vorm van een goed vertelde vie romancée heeft gekozen. In talrijke noten worden alle levensfeiten en andere gegevens over Manet, zijn eega en hun kring verantwoord, maar de gedachten en emoties worden erbij verzonnen zonder het wezen van Manets kunstenaarschap te raken. Het duo Van Kempen en Van de Beek (2) presenteert hetzelfde verhaal in de vorm van een lang interview met Manet-Leenhoff, een jaar voor haar dood gehouden door een fictieve Hollandse journalist, afgewisseld met korte herinneringen van haar dienstbode. Interviewen is een kunst apart en een boek is geen radio of theater.

Hoe dan ook, beide boeken geven wél, dankzij de macht van de fictie, uitsluitsel over een kwestie die de kunstwereld al bijna anderhalve eeuw bezighoudt: ja, de naakte vrouw op de voorgrond van het beroemde schilderij Le déjeuner sur l’herbe is Suzanne Leenhoff met het hoofd van Manets favoriete model Victorine Meurent.

Ook Anne Zernike was de vrouw van een beroemd kunstschilder, Jan Mankes, maar veel meer dan dat. Niet alleen werd deze vrijgevochten telg uit een Pools-Duits immigrantengeslacht op haar 24ste de eerste vrouwelijke Nederlandse predikant, ze was doctor in de theologie en bovendien feministe en vredesactiviste. Als eerste vrouw op de kansel had ze het niet makkelijk. Wekelijks ontving ze anonieme brieven waarin ze werd gewezen op 1 Corinthiërs 14:34: ‘Dat uw vrouwen in de gemeente zwijgen; want het is haar niet toegestaan te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de Wet zegt.’

Froukje Pitstra (3) promoveerde onlangs op Ontelbare enkelvouden. Dr. Anne Mankes-Zernike (1887-1972). Een biografie. Daarin gaat het behalve over Zernikes vrijzinnige theologische opvattingen, ook over haar huwelijk met Jan Mankes met wie ze een zoon had, over haar aan verliefdheid grenzende adoratie voor dichteres Hélène Swarth en over haar broers en zusters, onder wie een Nobelprijswinnaar en een romanschrijfster. Raadselachtig blijft Annes liefdesleven na de vroege dood van haar echtgenoot. Had ze een lesbische relatie met zevendedagsadventist Willy van Stockum met wie ze jaren samenleefde? Irrelevant wellicht, maar een beetje speculeren mag toch wel, zelfs in een geleerd proefschrift?

De gedichten van Vondel zijn helaas vrijwel onleesbaar geworden. Een bijsluiter met een verklarende woordenlijst maakt ze begrijpelijker, maar dat is nog niet: genietbaar. Daarvoor is enige kennis nodig van de historische omstandigheden waarin de dichter leefde en werkte. Met dat uitgangspunt behandelt Agnes Sneller (4) in een korte monografie Vondel als icoon van een tijdperk dat velen aanspreekt: De Gouden Eeuw in gedichten van Joost van den Vondel. Een – wel wat mager uitgevallen – selectie van een aantal geannoteerde gedichten of fragmenten daarvan dient als illustratie bij verhandelingen over onderwerpen als Vondels jeugd, de rederijkers, de geloofstwisten uit de 17de eeuw, de opkomst van Amsterdam, Vondel en de stadhouders.