Het begon ermee dat ik niets meer rook

Henk Blanken (55) was lang een gedreven journalist, een streber en een workaholic. Sinds hij weet dat hij parkinson heeft, interesseert hij zich minder voor het harde nieuws. „Ik leerde beter luisteren naar mensen over wie ik schreef.”

Zwaluwen

„Vroeger was ik niet zo geïnteresseerd in mensen. Ik was vooral een gedreven journalist, een strebertje. Bij de Volkskrant was ik of aan het werk, of ik zat in café Hesp. Toen ik elf jaar geleden adjunct-hoofdredacteur werd bij het Dagblad van het Noorden was ik twaalf uur per dag met de krant bezig en in de tijd die overbleef, gaf ik lezingen en schreef ik boeken over journalistiek. Kort na de geboorte van Daniël, mijn zoon, ging ik vijf weken naar Amerika, dat is me thuis niet in dank afgenomen. Ik was geen leuke huispapa, ik was er gewoon nooit. Dat is nu heel anders. De dag waarop ik hoorde dat ik de ziekte van Parkinson had, heb ik samen met mijn vrouw in de tuin vier uur lang naar de zwaluwen en de vleermuizen zitten kijken.”

Bibberhand

„Het begon ermee dat ik niets meer rook. Ook struikelde ik vaak, zoals toen ik met Daniël in Venetië was, nu vier jaar geleden. Op een avond ging ik onderuit en benatte mezelf. Achteraf gezien was dat het eerste duidelijke signaal, maar ik dacht dat het stress of oververmoeidheid was. Zoals alle kranten moest ook het Dagblad van het Noorden reorganiseren en als lid van de hoofdredactie was ik verantwoordelijk voor al die medewerkers die vreesden voor hun baan. Mijn lichaam verkrampte, ik raakte ongeconcentreerd en extreem moe. Collega’s zeiden: ‘Er is wat met je aan de hand’, maar ik ging niet naar de dokter. Toen ik een bibberhand kreeg, leek me dat dat kwam door alle koffie die ik dronk.”

Zak aardappelen

„Ik ben het soort man dat tot zijn vijftigste de eeuwige leeftijd van 35 had. Ik verkeerde in de veronderstelling dat ik altijd zo vitaal en sportief zou blijven. Maar gisteren nog bij de supermarkt stond ik bij de kassa te hannesen met een zak aardappelen en een plastic draagtas, een lange rij mensen achter me. Op straat kijk ik niet meer om me heen maar naar de grond, ik loop met een sloffende gang, mijn linkerschoen is aan de punt helemaal afgesleten. De komende vijf jaar hoop ik mezelf nog te redden. Het enige wat ik weet is dat ik uiteindelijk hulpbehoevend word en waarschijnlijk in een rolstoel beland. Nu al krijg ik soms de knoopjes van mijn overhemd niet meer goed dicht. Ik loop tegen iedere deurpost op. Als ik voorover gebogen een ui snijd, druipt het speeksel uit mijn mond. Dat is ontluisterend.”

Venetië

„Van het begin af aan is het schrijven een grote troost geweest. ‘Daar zit een goed verhaal in’, dacht ik op het moment dat ik de diagnose te horen kreeg. In mijn hoofd was ik de dialoog al aan het uitschrijven. Ik ben een blog gaan bijhouden, het vormt de basis voor Pistoolvinger, het boek over mijn ziekte dat voorjaar 2016 uitkomt. Dat uit de aftakeling iets moois voortkomt, maakt voor mij veel goed. Zo staat dat avontuur in Venetië nu op papier, het is goed gelukt, en dat is bevredigend. Verhalen hebben voor mij nog een andere functie: ik ben al heel lang extreem vergeetachtig – dat staat min of meer los van mijn ziekte – en door dingen op te schrijven breng ik ordening aan in de flarden herinnering in mijn kop.”

Empathisch

„Schrijven deed ik nauwelijks meer als adjunct-hoofdredacteur. Vanaf mijn veertigste ambieerde ik een managementfunctie, maar toen ik eenmaal op die positie zat, bleek dat ik niet zo geschikt was om leiding te geven. Het lukte me niet voldoende om dingen gedaan te krijgen van mensen, daar was ik niet empathisch genoeg voor. Ik was niet iemand die van alle medewerkers hun verjaardagen wist, plus de naam van hun vrouw en hun huisdier. Dus toen ik in een volgende reorganisatieronde zelf mijn functie verloor, stomtoevallig tien dagen voordat ik hoorde dat ik parkinson had, en bij mijn eigen krant weer als schrijvend journalist kon gaan werken, werd mijn leven een stuk leuker.”

Vertrouwensband

„De afgelopen vijftien jaar heb ik veel nagedacht, geschreven en lezingen gegeven over de vraag hoe kranten en tijdschriften kunnen overleven in het internettijdperk. Eén van de antwoorden is, daar raakte ik van overtuigd: méér goed geschreven, spannende – maar uiteraard waar gebeurde en goed uitgezochte – ‘menselijke’ verhalen. Ik ging me voor andersoortige onderwerpen interesseren, los van het harde nieuws. Waar ik ooit mijn finest hour beleefde in een serie artikelen over de ondergang van Fokker, portretteerde ik nu boeddhisten, schreef over euthanasie bij dementerenden en maakte een grote reportage over een parkinsonpatiënt die een hersenoperatie onderging terwijl hij bij kennis was, zogeheten deep brain stimulation. Het zijn mijn beste verhalen. Doordat ik wegens mijn ziekte meer tijd en rust kreeg, en noodgedwongen niet meer zo’n draufgänger was, leerde ik beter luisteren naar mensen over wie ik schreef en kreeg ik een vertrouwensband met ze, iets wat me voorheen nooit lukte omdat ik het geduld er niet voor had.”

Feestelijk

„Toch neem ik nu afscheid van de krant en van de journalistiek. Ik ben vaak erg moe, en daarbij zorgt de parkinson voor concentratieverlies; bij zakelijke interviews raak ik soms de draad kwijt. Maar ik ben met een feestelijk gevoel weggegaan. Als enige regionale krant trekt het Dagblad van het Noorden geld uit voor verhalende journalistiek. De afgelopen jaren heb ik een groep jonge journalisten gecoacht en dat heeft zijn vruchten afgeworpen, ook in de vorm van journalistieke prijzen. Op het Handboek verhalende journalistiek dat ik met oud-Volkskrant-collega Wim de Jong heb geschreven en dat ik als mijn journalistieke testament beschouw, komen enthousiaste reacties. Veel mensen laten ons weten dat ze enorme zin krijgen om mooie verhalen te maken.”

Fluiten in het donker

„Ik probeer de schoonheid en de poëzie en de humor te zien van wat me overkomt. Omdat ik niet wil zitten miezen, maar er zit ook iets prekerigs in, zo van: ‘Kom op jongens, uit een hoop ellende valt echt wel iets goeds te halen, kijk naar mij!’ Ik heb de neiging mezelf groter voor te doen dan ik ben. Misschien loop ik wel te fluiten in het donker. Doe ik alsof het allemaal meevalt, maar ben ik toch bang voor wat er komt. Er zitten tamelijk vervelende kanten aan die parkinson. Door de kramp in mijn lichaam heb ik bijna voortdurend pijn, en ik merk dat ik onzeker en bangelijk begin te worden. ’s Nachts schrik ik wakker, en denk ik dat er iemand in huis is. Terwijl ik weet dat het onzin is, ga ik toch naar beneden om te kijken.”

Besluit

„Parkinsonpatiënten hebben een kans van een op twee om dement te worden. Dat dwingt mij om na te denken over hoe ver ik het wil laten komen. Dementie is tragisch omdat patiënten de samenhang in hun herinneringen niet meer zien en zo het verhaal van hun leven kwijtraken, en daarmee zichzelf. Het grote dilemma is dat de meeste artsen in het beginstadium geen euthanasie willen verlenen omdat de patiënt niet ondraaglijk lijdt, en zodra hij wel ondraaglijk lijdt, doen ze het niet omdat de patiënt wilsonbekwaam is geworden. Ik heb mezelf de opdracht gegeven om tijdens het schrijven van Pistoolvinger een besluit te nemen over wat ik wil: ga ik jarenlang dement in een verzorgingstehuis liggen wegkwijnen of stap ik er voor die tijd uit? Die vraag vormt de plot van het boek, waarvan ik zelf op dit moment de afloop dus nog niet ken.”