Het bed is de thuisbasis

In een groot deel van de wereld hebben huizen geen haard, toilet of badkamer. Kern van het privédomein is overal en in alle tijden: het echtelijke bed.

Jeremy Ukuqtunnuaq, een Inuït-jongen in het noorden van Canada, staat in de iglo van zijn familie (2009). De familie gebruikt de iglo in de winter om op poolvossen en zeehonden te jagen, en te vissen. Foto Ton Koene / HH

‘Mijn huis uit!”, riep B. tegen de veldwachters. Het was de nacht van 27 op 28 mei 1954. B. had zijn vrouw een klap gegeven en luidkeels gedreigd haar opnieuw te slaan. Een buurman waarschuwde de politie, en twee veldwachters rukten uit. Ze lieten na eerst de officier van justitie in te lichten. B. liet hen binnen, maar toen hij hoorde waarvoor ze kwamen, beval hij hen zijn woning te verlaten. Dat deden ze. Toen B. in de deuropening bleef staan en hen begon uit te schelden, besloten de agenten de man alsnog in te rekenen.

Er werd gerukt en getrokken, B. naar binnen en de agenten naar buiten. Daarbij, zo staat het fraai in het arrest, zijn de agenten „zoal niet met hun voeten, dan toch met één arm of beide armen binnen de woning geweest”. De zaak staat nu bekend als het ‘Armarrest’. Zelfs als je met één arm binnen de woning bent geweest, is dat volgens de Hoge Raad ‘binnentreden’. In dit geval zonder toestemming van B. Hij ging vrijuit.

My home is my castle.’ ‘Achter de voordeur kijken.’ Het zijn twee van de vele zegswijzen die gaan over het domein waar een familie zich kan onttrekken aan de blikken en de bemoeienis van de goegemeente, en anderen moeten dat respecteren. Een huis is niet alleen een dak boven je hoofd, een onderkomen dat beschutting biedt tegen weer en wind, het is ook een sfeer die is afgeschermd van de buitenwereld. Ergens ligt de grens tussen die buitenwereld en de binnenwereld van het huis. Maar waar?

Het moderne westerse huis kent een hermetische grens: de voordeur. Die gaat open of blijft dicht, al naar de bewoner goeddunkt. Elders bestaan veel zachtere overgangen tussen binnen en buiten. In de niet-westerse wereld kent bijna elk woningtype een ruimte voorin het huis waar bezoekers vrije toegang hebben. In het Indonesisch heet die ruimte ruang tamu (gastenvertrek). Daar kom je binnen zonder kloppen, word je als bezoeker te woord gestaan en krijg je een glas koffie of thee aangeboden. Het is een voorportaal, erachter wordt gewoond, dat wil zeggen: gekookt, gegeten en geslapen.

Het huiselijke domein kent eindeloos veel varianten, van de nomadentent tot de bolwerken van het negentiende-eeuwse burgerdom. Wat hebben al die huizen gemeen? Waar houdt de openheid op en begint de beslotenheid? Wat is de kern van ‘het huis’?

Misschien geeft de taal een aanwijzing – we spreken van ‘huis en haard’ – en draait het huishouden om het vuur. De jagers van de Grote Vlakte in Noord-Amerika leefden bijvoorbeeld in tenten van dierenhuiden (tipi in het Lakota). In het midden was een uitgegraven vuurplaats, waar gegeten, beraadslaagd en gerookt werd.

Ook middeleeuwse boerenwoningen in Frankrijk en Engeland waren gebouwd rond een haard met kookplaats. De bevolking werd voor de inning van belastingen niet hoofdelijk geteld, maar aan de hand van het aantal foci of foyers (haarden).

Het vuur was het middelpunt van zowel tipi als boerenwoning, maar ook de plaats waar gasten werden genood zich te warmen en mee te eten. Het was een semipublieke plek binnen de woning. Universeel was de haard niet. Ook al werd in de tempel van Vesta, de Romeinse godin van haard, huis en familie, altijd een vuur brandend gehouden, de domus (herenhuizen) van Rome hadden geen schoorstenen en geen kachels.

De Franse historicus Yvon Thébert (1943-2002), die opgravingen deed in Romeinse steden en een diepgaande studie maakte van de domus, schrijft: „De warmte van de haard waarin een groot vuur brandde, waarvan de rook door een gat in het dak ontsnapte, was juist een van de veel bezongen geneugten van het plattelandsleven, wanneer er sneeuw lag op de velden. In de stad was het ’s winters binnen even koud als buiten en hield men in huis zijn jas aan. Erotische dichters beklaagden zich over onverbiddelijke vrouwen die zelfs in bed hun jas niet uitdeden.”

Douche

Misschien zijn dan bad en toilet de bij uitstek besloten delen van het huis. De westerling van nu neemt een douche en doet zijn behoefte bij voorkeur buiten de gezichtskring van anderen en de moderne woning heeft daarvoor faciliteiten.

Maar ook dat is niet altijd zo geweest en het is lang niet overal zo. Een groot deel van de wereldbevolking poept en watert in de buitenlucht en baadt in de rivier. Daar is niks privaats of huiselijks aan. In het oude Rome hadden mensen, op enkele zeer bevoorrechten na, thuis geen stromend water. De aquaducten voorzagen in de watertoevoer van de stadsfonteinen en openbare badhuizen. Romeinse steden hadden ook openbare toiletten, waar men genoeglijk op een rij zat, zonder schotten en zonder verlegenheid of schaamte.

Nog in de Renaissance waren de toiletgewoonten sociaal. Sarah Bakewell schrijft hoe de Franse koning Henri III in 1589 de dominicaner monnik Jacques Clément ontvangt terwijl hij juist op het toilet zit, volgens Bakewell „een niet ongebruikelijke manier voor vorsten om bezoek te ontvangen”. De visite loopt wel slecht af: Clément trekt zijn dolk en steekt de koning dood. Historica Louise Waarts schrijft dat hertog Federigo da Montefeltro (1422-1482) in zijn paleis in Urbino tien toiletten op een rij liet aanleggen, zodat hovelingen en gasten naast elkaar konden zitten als zij hun behoefte deden, net als de oude Romeinen.

Ook de opvatting dat uitkleden om een bad te nemen hoort bij de intimiteit van het huis, is nog niet zo oud. Het oudtestamentische jodendom ging hier ontspannen mee om. David bekeek Bathseba terwijl ze een bad nam (2 Samuel 11:2) en de Oudsten keken naar de badende Susanna (Griekse versie Daniël 13:7-8). In het Hooglied wordt het naakte vrouwenlichaam uitbundig bezongen. Grieken en Romeinen kenden geen gêne bij baden in het openbaar. Het jonge christendom stond ambivalent tegenover het menselijk lichaam. Pas met het Concilie van Trente (1545-1563) kwamen er uiteindelijk regels die naaktheid in het openbaar verboden. De Koran gebiedt de awrat (het naakte lichaam) te bedekken en islamitische wetgeleerden vinden dat vertoon van vrouwenvormen sociale onrust (fitnah) in de hand werkt.

De vrouwen des huizes worden vaak onttrokken aan de blikken van bezoekers. Het meest extreme voorbeeld is het huidige Afghanistan, maar het gebruik is ouder. De oikos, het huis van een christelijke aristocraat in tiende-eeuws Constantinopel, had een ruimte die per definitie privé was: die van de vrouw en de dochters. Zij werden door strikte fatsoensregels gescheiden van bezoekers. Een rijke dame nam die ruimte mee naar buiten als ze zich afgeschermd in een draagkoets door de stad verplaatste. Het keizerlijk paleis in Constantinopel had een gynaikonitis of ‘vrouwenappartement’, waar de ongetrouwde vrouwen en slavinnen zich ophielden. Die vertrekken lagen op enige afstand van de straat en de openbare ruimtes van het paleis.

Van de gynaikonitis is het maar een kleine stap naar de Ottomaanse harem. De betekenis van dat Turkse woord is in de negentiende eeuw nogal verdraaid door westerse ‘oriëntalistische’ auteurs. Die lieten hun erotische fantasieën de vrije loop en maakten er een chic bordeel-bij-toerbeurt van. Het woord harem komt van het Arabische haram, dat verboden betekent. Een Ottomaans huishouden was verdeeld in een deel dat open was voor bezoekers, het ‘begroetingsgebied’ of selamlik, en een privégedeelte dat harem heette, waar de vrouwen van de familie zich ophielden. Ook de paleizen van de Ottomaanse sultans, het Topkapi en het Dolmabahce in Istanbul, hadden een dergelijke indeling.

Heilige der heiligen

Woonvormen en de openheid van huizen variëren dus enorm, net als verlegenheid bij het baden en de zichtbaarheid van vrouwen. Maar één ding hebben toch alle huizen gemeen. Er is een domein waar bezoekers nooit toegang hebben: de echtelijke slaapkamer.

Yvon Thébert zei over het slaapvertrek, het cubiculum, in het Romeinse herenhuis: „De slaapkamers zijn beslist de meest afgesloten ruimtes van de woning. De seksuele betekenis van die plek is in de oudheid net zo duidelijk als in alle andere perioden. Het gaat hier vóór alles om de intiemste plaats van het huis; openstelling voor buitenstaanders geldt bij uitstek als zedeloos.”

Een passage uit de Confessiones (Bekentenissen) van Augustinus van Hippo (354-430) getuigt van het sterk persoonlijke karakter dat het cubiculum had voor een Romein. De latere kerkvader probeerde zijn diepste emoties te beschrijven en gebruikte voor de geheimste plaats van zijn innerlijk de metafoor van de slaapkamer. „Deze grote strijd,” schreef hij, „speelde zich af in mijn innerlijke huis en voerde ik in mijn ziel, in onze eigen slaapkamer, in mijn hart (cum anima mea in cubicolo nostro, corde meo).”

Een lezer denkt bij deze voorbeelden misschien: dit zijn de normen van stedelijke elites. En: hielden zij zich daaraan? Over dat laatste is Thébert duidelijk: „De slaapkamer was de intiemste plaats voor het Romeinse echtpaar, maar het was ook de plek waar de heersende moraal op de meest drastische manier werd overtreden. Het is ook de plaats van het overspel, van de incest, van de zedeloosheid.” Gedrag is nu eenmaal niet altijd een afspiegeling van culturele normen.

Gelden zulke normen nu ook voor nomaden, voor de boeren van het middeleeuwse Europa en die van het huidige Azië? Gaan ze ook op voor het opgehokte proletariaat in de steden van de Industriële Revolutie?

De iglu van de Inuit, de tipi van de prairiejagers en de yurt van Centraal-Aziatische herders hadden geen kamers, maar van bezoekers werd verwacht dat ze afstand hielden van de slaapplek van de gastheer en zijn vrouw. Dat was beleefd. George Grinnell maakte aan het eind van de negentiende eeuw studie van de Cheyenne, toen die hun zwervende bestaan net hadden opgegeven. De slaapplek van de ouders, schrijft hij, lag linksachter in de tipi, en gasten, eenmaal binnen, bleven rechts van de ingang zitten, tot ze door het gezinshoofd werden uitgenodigd plaats te nemen bij het vuur.

Meerdere lagen

Op Java had de bovenlaag van vorsten, aristocraten en ambtenaren een rumah joglo, een traditioneel huis met meerdere lagen. De gewone Javaan imiteert graag de elite en we zien dit huis in vereenvoudigde vorm ook in de dorpen. Die grondvorm kent twee lagen: de open pendopo of ontvangsthal, het mannelijke deel van het huis, en het ommuurde dalem (letterlijk ‘binnenste’) dat geldt als vrouwelijk. De aristocratische variant, zoals de kraton (vorstenpaleizen) van Yogyakarta en Solo, kent verschillende lagen binnen het dalem, met als meest afgeschermde vertrekken de gebedsruimte, de kamers van de ongetrouwde dochters en de slaapkamer van het ouderpaar.

In de middeleeuwse boerenwoningen van Montaillou, het ketterse dorp in de Pyreneeën dat tot in bijzonderheden is beschreven door de Franse historicus Emmanuel Le Roy Ladurie, was de warmste kamer, die naast de foganha (keuken met stookplaats), voor de boer en boerin en eventuele zuigelingen. Andere kamers waren voor de grotere kinderen.

Als in de negentiende eeuw de stadsbevolking in Noordwest-Europa groeit, bewonen gezinnen vaak één enkel vertrek, zoals de beruchte kelderwoningen van de industriestad Manchester. Strikt genomen kunnen we in die gevallen niet meer spreken van een huiselijk domein, alleen van een plek om te schuilen voor de elementen. Maar ook dan is de slaapplaats van de ouders vaak afgescheiden door een gordijn. Dat is te beschouwen als voorloper van de bedstee, het bed met deurtjes van kleinbehuisden.

Mensen vrijen over het algemeen buiten de gezichtskring van anderen, het afgeschermde echtelijke bed is het hart van het huis. De voordeur staat in grote delen van de wereld open, en de warmte van het haardvuur wordt gedeeld met gasten, maar de master bedroom blijft gesloten voor bezoek. Overal.