Eten doe je met je handen

We doen bijna alles met onze handen. Maar uitgerekend voor eten gebruiken we hulpmiddelen. Mohammed Benzakour eet met zijn handen. Want hoe meer zintuigen worden aangesproken, hoe groter de lust.

foto thinkstock

Ik had me erop verheugd. Na afloop van de conference ‘d’Euromaghrébine d’écrivains’ in Tunis, tot deelneming waarvan ik was uitgenodigd, was een ‘cuisine maghrebine’ aangekondigd. Afrikaans tafelen, leuk! Ik zag al voor me hoe de dampende lammeren aan het spit werden binnendragen om die vervolgens handmatig in stukken te scheuren en in saus met brood te dopen.

Helaas. Stonden we daar in een keurige rij aan een keurig buffet naast butlers met een Tunesisch hoedje op. Op elk bord werden stukjes entrecote geschept, porties groenten, gestoofde pruimedanten, rijst in lahrisa-saus. Op tafel wachtten wijnglazen, waaierservetten en het ergste: gerangschikt bestek. Bestek! Westers degusteren in een Oosters jasje.

Duivelse symboliek

Het was de Byzantijnse prinses Theodora, duizend jaar geleden, die als eerste roet in ’t eten gooide. Tijdens een diner aan het hof haalde ze ineens een gouden vork tevoorschijn. Diep geschokt was het hof van Venetië. Blasfemie! Het duurde daarom nog vier eeuwen voordat de kerk de vork ontdeed van zijn duivelse symboliek. Daarna schoten restaurants als paddenstoelen uit de grond en inmiddels geldt couvert als teken van beschaving.

Beschaving van de mens is de geschiedenis van vierduizend jaar indigestie. En daarmee onlosmakelijk verbonden met schaamte. Elke boer of wind herinnert de moderne mens aan zijn dierlijke afkomst. Met de handen in eten friemelen stellen we gelijk aan neuspeuteren en poep: onappetijtelijk. Als in de film La Grande Bouffe (1973) vier bourgeoisievrienden erachter komen dat hun leven oersaai is, nemen ze een radicaal besluit. Ze sluiten zich op in een kasteel en vreten zich letterlijk dood. Wat begint als een gedistingeerd diner aan een onberispelijk gedekte tafel ontaardt al snel in kostelijke schrans- en schijtpartijen. Alle tafeletiquette is vaarwel gezegd – en wat een lol hebben ze! Onvergetelijk is de scène waarin Michel Piccoli een klassiek pianostuk speelt terwijl scheten als duizendklappers uit zijn achterste waaien.

Eten heeft een sociale status. Het nieuwe koken uit zich in allerlei wilde experimenten, van kop-tot-kont koken tot rauw kool en sprinkhanen kauwen, maar gek genoeg hoor je nooit over eten met handen.

In koken schuilt sowieso een rare tegenspraak. Je maakt iets moois wat je erna tenietdoet. De lol moet dan wel in het eten zelf zitten. Vingers kennen geen smaakpapillen maar wel, anders dan de vork, oneindig veel zenuwuiteinden. Daarom ‘proef’ je aanrakend al het verschil tussen de diverse spijssoorten; de consistentie, structuur, smeuïgheid.

Eten met handen is een soort omgekeerde ontlasting. Jawel, poep is vies, maar poepen behaagt. En hoe groot ook het scatologisch genot, niemand poept met mes en vork. Naast de twaalfvingerige darm kent de mens ook nog een tienvingerige darm. Zijn twee handen functioneren als een doorluchtige toegangspoort van zijn spijsverteringskanaal.

Het verrukkelijke wroeten

Als baby’s wilden we alles met de handen pakken en in de mond stoppen. De orale fase, noemde Freud dat. Daarna was het snel afgelopen met dit verrukkelijke wroeten; mes en vork is ons haast met de paplepel in de maag gesplitst. Wie met bestek eet, doet dat op gezag van zijn ouders die het weer van hun ouders hebben geleerd. Dit terwijl de natuur de mens heeft toegerust met een subliem, tiendelig instrument. We krabben onze benen met de hand, we liefkozen, kittelen, masturberen, kont afvegen, het brailleschrift, alles doen we handmatig. Maar uitgerekend het meest elementaire van ons bestaan – voedsel – daarvoor hanteren we stalen gereedschap. Goede tafelmanieren, heet dat. Maar wat zijn slechte manieren: dat u meer om het eten geeft dan om het gezelschap?

Bij ons thuis aten we gezellig met de handen. Mes en vork heb ik mezelf moeten aanleren. Uit noodzaak, om geen gek figuur te slaan in restaurants. Maar prettig vond ik het nooit. Niet alleen omdat ik ermee stuntel maar meer vanwege het materiaal: niets ergerlijker dan het ketsen van ijzerwerk tegen je tanden. Nog slecht voor het glazuur ook. Ik ben ermee gestopt.

Het beste mes is eenvoudigweg je eigen gebit. Karbonades kluif je af en het merg zuig je uit. Schol en dorade laten zich uitstekend ontleden tussen de tanden en broccoli hapt lekker weg. De geoefende fijnproever weet dat zelfs spaghetti zich pico bello laat beetpakken en omkrullen in de muis van de hand. Hetzelfde geldt voor het honingdessert; twee vingers zijn afdoende om het zoete zaakje vlekkeloos eruit te scheppen. En soep dan? Daar is helemaal geen lepel bij nodig. Pak de kom met beide handen op en giet de inhoud in teugjes naar binnen; weldadig slaan geur en damp je in het gezicht.

Als u erg morst en kliedert is dat geen ramp. Alle begin is moeilijk. Sterker, een beetje geklieder hoort erbij. Want gelukkig beschikken we over een wonderlijk orgaan: de tong. Kampioen likkepot c.q. handenwasser. Voortaan gaat u likkebaardend aan tafel en u zult het verrukkelijk vinden. De uitdrukking ‘je vingers erbij aflikken’ is niet van de lucht. Het verlekkerde gezicht waarmee u de spijzen verorbert zal omstanders, die aanvankelijk nog de wenkbrauwen fronsten, duchtig doen watertanden.

Bestek schept afstand waar geen afstand mag bestaan

Als prakken van de maaltijd een belediging is van de kok, is bestek een krenking van het gerecht. Bestek schept afstand waar geen afstand mag bestaan. Tussen eten en eter, beiden van organisch materiaal, schept het element metaal een onnatuurlijke kloof. De echte lekkerbek dorst geen bestek. Ook al glibberen de bonen en rijst tussen je vingerkoten, het bestasten ervan voelt lekker en natuurlijk aan – en precies hierin schuilt de sensatie. Een sensatie die verder strekt dan alleen het contact met de opperhuid. Aanraking is samensmelting. Doordat je de structuur van de spijs gewaarwordt ben je ook eerder geneigd eraan te ruiken. Het lichamelijk contact, de tastzin, de temperatuur, al deze factoren prikkelen de hersenen, waardoor niet alleen smaak, maar ook geuren en kleuren intenser binnendringen. Hoe meer zintuigen, hoe groter de lust.

Dit is ook fysiologisch verklaarbaar. Jaren geleden al ontdekten wetenschappers in het laboratorium dat de hongerige mens bij de aanblik van voedsel, behalve gaat watertanden, een microscopisch klein sapje afscheidt op, jawel, de vingertoppen. Dit sap blijkt, na menging met voedsel, als een aperitief te werken.

U zegt dat bestek hygiënischer is? Graag wijs ik u op landen waar traditioneel met de handen wordt gegeten, pak hem beet de hele Arabische en Aziatische wereld. Daar kennen ze een vast ritueel: handen wassen. Voor het eten en na het eten. Een servet mag er chic en statig uitzien, maar een kraan en een bonk groene zeep verwijdert vet en smetten toch iets beter. Je voelt je frisser. Bovendien is stoppen met couvert vriendelijk voor het milieu; het scheelt behoorlijk in de afwas.

Jezus at ook met z’n handen

Met hertenstoof en hazenrug in pommes boulangères gedachten wij donderdag de geboorte van Jezus; de man die bij Het Laatste Avondmaal tegen zijn discipelen zei: „Eet dit brood, het is mijn lichaam, drink deze wijn, het is mijn bloed.” Niet alleen zijn handen, maar Jezus laat hier al zijn organen en lichaamssappen samenvloeien met de maaltijd. Het woord Gods als voedsel. En het woord werd vlees. Dat is nog eens gezellig tafelen. Nu, christen of smulpaap, weinigen zijn nog Bijbelvast, maar als je bedenkt dat in naam van het Lam Gods – dé icoon van vrede, vergeving en verzoening – gedineerd wordt met nota bene hulpmiddelen die prima doorgaan voor vecht- en moordwapens, kleeft daar niet tenminste een luchtje godschennis aan?