Een to-do lijstje voor onze zeg-maar-elite

13 december 2014 – Het is weer lijstjes-tijd. In de aanloop naar kerstmis worden de top-100’s gepubliceerd met de machtigen, de populairen, de beste netwerkers. Gezellig om te lezen, maar we geloven er niet in. Nederland moet niks hebben van z’n elite. Als die al bestaat. Het Sociaal en Cultureel Planbureau leverde deze week een

13 december 2014 - Het is weer lijstjes-tijd. In de aanloop naar kerstmis worden de top-100’s gepubliceerd met de machtigen, de populairen, de beste netwerkers. Gezellig om te lezen, maar we geloven er niet in. Nederland moet niks hebben van z’n elite. Als die al bestaat.

Het Sociaal en Cultureel Planbureau leverde deze week een belangrijke bijdrage aan het zinvoller maken van de discussie over wie wat voorstelt in dit land. Zijn tweejaarlijks rapport over de staat van Nederland gaat dit keer over Verschil. Tussen mensen.

Door het werk van de Franse econoom Piketty, en eerder al dat van o.a. zijn Amerikaanse collega’s Krugman en Stiglitz is het begrip ‘inequality’ flink in omloop. De club van industrielanden Oeso bevestigde hun stelling dat de mate van ongelijkheid tussen de meest- en de minstverdienende lagen van de bevolking leidt tot economische schade voor de hele samenleving. De verontwaardiging is dus niet alleen over moreel.

Het SCP was al bezig met deze omvangrijke studie naar verschillen in Nederland toen de huidige ongelijkheidsdiscussie losbrandde. Uit een veelheid aan gegevens blijkt vooralsnog niet dat de economie in dit land stagneert door te grote ongelijkheid. Het Panbureau draait de schijnwerper daarom weg van de sterke concentratie op inkomens- en vermogensverschillen.

In deze actuele beschrijving van de bevolking onderscheidt het Planbureau twee duidelijke klassen: een ‘gevestigde bovenlaag’ (15%) en een vrij absolute onderlaag, die men ‘precariaat’ (ook 15%) noemt. Daartussen zijn vier segmenten te onderscheiden (die niet voldoen aan de definitie van het begrip klasse), met een aflopend arsenaal aan pluspunten: ‘jonge kansrijken’, ‘werkende middengroep’, ‘comfortabel gepensioneerden’ en ‘onzekere werkenden’.

Door een heel palet aan individuele kapitaalvormen te beschrijven nuanceert het rapport de geijkte tegenstellingen. Verschillen in inkomen en vermogen spelen natuurlijk een rol. Zoals veel of weinig opleiding belangrijk is. Maar verschillen in persoonlijk, sociaal en cultureel kapitaal tellen even sterk bij het bepalen van iemands vooruitzichten, geluk, gevoel van veiligheid, vertrouwen in de toekomst en de politiek.

Wie deze verfijnde röntgen van de Nederlandse bevolking ziet als mogelijk uitgangspunt voor politieke partijen en voor bestuurders van publieke diensten en van gemeenten, provincies of het land als geheel krijgt belangrijk nieuw gereedschap in handen. Het vereist denkkracht en inlevingsvermogen daar werk van te maken.

Politici die zich bijvoorbeeld inzetten voor gelijke kansen van burgers kunnen kijken naar ‘persoonskapitaal’ als factor. Daartoe hoort mentale weerbaarheid. Wie lang is, wie fysiek en qua kleding, levensstijl en gezondheid aantrekkelijk oogt heeft meer kans om prettig werk te krijgen. Aan sommige van die kenmerken is – anders dan door zware operaties - weinig te doen, maar aan een ander deel is met training en bewustwording wel het nodige te verbeteren.

Als sociaal kapitaal benoemt het SCP het beschikken over een netwerk voor intermenselijke en praktische steun om je op de been te houden en verder te helpen. Cultureel kapitaal gaat over taal, smaken, culturele kennis, reputatie en dergelijke. Het is de optelsom van die vormen van menselijk kapitaal die mét klassieke gegevens zoals afkomst, het beroep van de ouders en de scholen die je bezocht je kansen op de arbeidsmarkt en in het verdere leven bepalen.

Interessant genoeg vond het Planbureau geen sporen van grote animositeit tussen de mensen die meer en minder gezegend zijn door deze bepalende kenmerken. Vooral de gezegenden zijn zich van geen spanning bewust.

Het is wel zo dat ongeveer 30 procent van de bevolking het behoorlijk moeilijk heeft, maar dat leidt niet tot acute revolutie. Het rapport spreekt dan ook van een ’zachte tweedeling’.

Dat we graag en gretig over inkomensverschillen spreken en vrij uniek zijn met onze koopkrachtplaatjes komt misschien wel voort uit de relatief gelijke welvaartsverdeling, suggereert het rapport. Het citeert Alexis de Tocqueville, die in zijn Democracy in America (1840) er al op wees dat ‘het verlangen naar gelijkheid steeds minder verzadigbaar lijkt naarmate de gelijkheid groter is’.

Het meest intrigerende hoofdstuk is dat over de elite. Velen vragen zich af of er wel een elite bestaat in dit land. Het Planbureau beperkt zich tot de machtselite, de mensen die het politiek en economisch voor het zeggen hebben. Paradoxaal genoeg krijgt de elite de schuld van heel wat missers en rampen van de laatste tijd, juist van degenen die het bestaan van een elite ontkennen.

Je zou ook kunnen zeggen dat de elite door de banken, het milieu, de woningbouwcorporaties en de economie te laten ontsporen heeft bewezen geen echte elite te zijn.

Verrassend genoeg tonen leden van de elite in gesprekken met de onderzoekers ook een vrij brokkelig zelfbeeld. In de Volkskrant top-200 van machtigen zal weer een actueel oude-jongens-krentenbrood-netwerk staan, maar de rest van Nederland bekijkt hen met argwaan. Naar als je zoveel hebt bereikt.

Misschien kan de elite, welke dan ook, het een beetje goedmaken door een to-do-lijstje te zien in dit rapport. Daar kan bijvoorbeeld op staan: weer eens een gemeenschappelijk toekomstbeeld formuleren, etnische tegenstellingen niet alleen bespreken maar ze actief proberen te overbruggen, mensen met een beperkte hoeveelheid geluk-van-huis-uit actief ondersteunen. Ophouden de samenleving als bedrijf te besturen. Participatie naar vermogen te erkennen. De tendens is de andere kant op. Democratie gaat over omgaan met verschillen.

email: opklaringen@nrc.nl; twitter: @marcchavannes