Ebola bestaat niet echt. Toch?

Toen het eerste jongetje in Maraka stierf, legden de dorpelingen bij zijn begrafenis hun handen op zijn lichaam. Daarna werd zijn broertje ziek. Toen zijn moeder. En vanochtend overleed ook zijn oma.

Koert Lindijer met een ebolawerker in Maraka. Foto Ger Steenbergen

‘Mi no dae, ik wil niet sterven”, zegt Alpha door het venster van de isolatieruimte. De arts van het kleine ziekenhuis in Yele, een stadje in het hart van Sierra Leone, probeert de vrouw gerust te stellen. Maar de dokter weet beter. Want Alpha heeft diarree, bloed in haar ontlasting en ze geeft over. Allemaal symptomen van ebola.

Gisteren werden Alpha en vijf andere vermoedelijke ebolapatiënten uit het naburige Maraka naar het hospitaal gebracht. Een van hen is afgelopen nacht overleden. Over het met lang gras omlijnde zandpad onder de hoge palmbomen trokken weken geleden de eerste ebolawerkers naar het dorpje om er voorlichting te geven. Niemand van de 700 inwoners nam hen serieus. Ook niet toen een jongetje stierf. In het holst van de nacht begroeven ze hem en vele dorpelingen legden hun handen op zijn lichaam. Toen werd zijn broertje ziek, gevolgd door zijn moeder.

Het is doodstil in Maraka. De schrik is er nu neergedaald. Want vanochtend is ook de oma van het kind overleden. Ebola, de onzichtbare vijand, is echt geworden. Iedereen houdt zich schuil in zijn huis. „Eindelijk geloven ze ons”, moppert een ebolavoorlichter in plastic jas en met helm.

Dorpshoofd Fodo Tulli, een oranje muts versierd met kwasten op zijn hoofd, gluurt door een houten luikje. De ebolawerkers halen hem over om de inwoners bijeen te roepen. Onder de grote mangoboom gaat hij zitten op een bankje. Beduusd scharen enkele mannen zich rond hem, ieder op veilige afstand van de ander. „Ben jij besmet?”, fluistert de een tegen de ander. Als de ebolavoorlichters vertellen dat iedereen besmet kan zijn en drie weken thuis moet blijven, beginnen sommigen te morren. „Ik moet de oogst nog van mijn akker halen”, protesteert een oude man.

Aan de rand van het dorp woont Kode Sisse. Zijn woning en die van zijn buren zijn onder quarantaine geplaatst. Als verstard zitten ze op hun veranda’s, twee kindjes zoeken troost bij hun oma. „Mijn vrouw sliep met het kind dat overleed”, zegt Sisse. „‘Darling, wat is er met je aan de hand’, vroeg ik haar gisteren. Maar ik dacht: ‘Ach, ze voelt zich wel meer niet lekker’. Vanochtend toen de haan kraaide, was ze dood.” Hij strijkt over zijn witte ringbaardje. „Nu beschuldigt iedereen in het dorp me ervan dat ik de ziekte naar Maraka heb gebracht. Het dorpshoofd heeft me een boete van 20 euro opgelegd.” Hij wendt zich tot een ebolawerker. „Mag ik mee naar het ziekenhuis in Yele? Ik heb gierende hoofdpijn.”

Buitenlanders werden gewantrouwd

Meer dan een half jaar na de uitbraak gelooft menigeen in Sierra Leone, Liberia en Guinee nog steeds niet dat ebola echt bestaat. Overheden kwamen veel te laat in beweging en toen ze voorlichters het land instuurden, kwam hun boodschap onvoldoende over. Dorpelingen bekeken de in ruimtepakken gehulde buitenlanders met argwaan. Er ontstond een kloof tussen bewoners en autoriteiten.

Buitenlandse hulpverleners zijn gewend patiënten in ziekenhuizen op te nemen, maar dat is niet genoeg om besmetting voor te zijn. Alleen de bevolking zelf kan verdere besmetting voorkomen door de ziekte vroeg te herkennen. Zolang dat niet gebeurt, ontstaan als bij een veenbrand steeds nieuwe brandhaarden.

Baccus Karpeh is hoofd van een team van ebolavoorlichters in de sloppenwijken van de Liberiaanse hoofdstad Monrovia. „Mensen schelden me soms uit voor vuile ebolabestrijder”, vertelt hij om zeven uur ’s ochtends, als hij zijn ronde langs de schamele onderkomens begint. Hij benaderde leden van straatbendes en drukte hen op het hart hun slachtoffers niet aan te raken als ze mobieltjes jatten. „Maar hoe kan ik prostituees adviseren om veilig hun vak uit te oefenen?”

Hij komt de 29 jaar oude Romeo Doe tegen, een overlevende van ebola. „Mijn vader klaagde over voedselvergiftiging”, vertelt hij. „Wat doe je dan? Dan zorg je toch voor hem? Na zijn dood vermoedden we dat er een vloek op onze familie was neergedaald, we schoren hem kaal, wasten zijn lijk en voerden rituelen uit. Zo kreeg ik het virus.” Romeo is kleermaker. „Heb je al weer werk?”, vraagt Baccus. „Nee”, antwoordt Romeo. „Niemand wil meer kleren van me kopen. Iedereen mijdt me als de pest. Hoe kan ik mijn familie voeden?”

Het krioelt van de mensen in West Point, een arme woonwijk in Monrovia van 50.000 inwoners. Het vermijden van lichamelijke aanraking is hier vrijwel onmogelijk. Iedere ruimte is bezet door dringende mensen, toeterende auto’s, ronkende brommertjes en handelaren die op kruiwagens geladen waren aanprijzen. Toen de regering de wijk in augustus pardoes hermetisch afsloot met militairen en prikkeldraad, en er een ebolabehandelcentrum opende, stortte een woedende menigte zich op de kliniek, bevrijdde de patiënten en rukte de bebloede lakens van de bedden. Twee weken later schoot het aantal met ebola besmette Liberianen omhoog.

In tegenstelling tot in Sierra Leone en Guinee lijkt in Liberia de kentering ingezet. Inwoners verbergen geen lijken meer, ze melden sterfgevallen aan speciale begrafenisteams en ambulances om patiënten op te halen zijn binnen een uur ter plaatse. Langzaam wordt het vertrouwen in de bestrijding hersteld. Maar niet iedereen kan zijn angst bedwingen.

Een meisje in gerafeld T-shirt met het opschrift ‘Your boyfriend is my ATM’ wenkt Baccus. „Mijn broer is ziek, alstublieft, kom hem ophalen.” Baccus belt een ambulance, die 45 minuten later met zwaailicht en sirene arriveert. Haar zieke broer wast zijn hoofd met ijswater en krijgt weer energie. „Ik ga niet mee”, stribbelt hij tegen, „mijn vader moet me opdracht geven”. De verzamelde menigte moedigt hem aan in te stappen maar zijn vader valt nergens te bekennen. De chauffeur van de ziekenauto wordt boos: „Straks word ik hier gelyncht.” Hij start de motor, de ambulance rijdt weg. De zieke jongen wandelt wankelend de drukke straat in en gaat op in de zwarte massa.

Mysteries die niet te vatten zijn

Liberia en Siërra Leone herbergen mysteries die niet te vatten zijn voor de buitenstaander. Aan ebola doodgaan is verschrikkelijk, maar beroofd worden van een plaats in het hiernamaals van de voorvaderen is erger. „Als de geesten blijven dwalen omdat de juiste rituelen niet zijn uitgevoerd, nemen ze wraak op ons”, zegt Josh Kekale in het Liberiaanse dorp Lawota, op drie uur rijden van Monrovia.

Mensen zijn ervan overtuigd dat een uitgebreide begrafenisceremonie noodzakelijk is. Onder leiding van geheime genootschappen met een eeuwenoude geschiedenis wordt op zo’n ceremonie gediscussieerd of de overledene iets fout heeft gedaan en er een vloek moet worden opgeheven. Zijn mogelijke schulden worden voldaan, naasten raken zijn lichaam aan om te voorkomen dat een kwade geest hen zal kwellen, er wordt gedanst en gezongen. In de eerste maanden van de epidemie werd 70 procent van de geïnfecteerden besmet tijdens een begrafenis.

In ebolacentra worden overledenen zonder ceremonie in een plastic zak onder de grond gestopt. Toen de lijken zich ophoopten, gingen buitenlandse hulpverleners deze verbranden, tot woede van de bevolking. „Met de verbranding van het lichaam wordt de geest geschaad. En ik heb gehoord dat onze regering de as naar India exporteert, zodat de bevolking daar haar goden kan vereren”, zegt Kekale.

De crematies zijn nu gestopt en de Liberiaanse regering belooft een symbolische herbegrafenis van de overledenen na de epidemie. In Sierra Leone mogen nabestaanden sinds kort een steen plaatsen bij de graven op de speciale ebolakerkhoven. In de nacht vestigt de geest zich in die kei en vervolgens wordt deze naar het geboortedorp vervoerd.

In juli, met de crisis op zijn hoogtepunt, begaf de Liberiaanse president Ellen Johnson Sirleaf zich naar de luchthaven om een vliegtuig te verwelkomen van de Nigeriaanse gebedsgenezer TB Joshua. Haar minister van Gezondheid was het land ontvlucht, zijn assistent overleden. TB Joshua had echter duizenden liters heilig water geschonken. De Liberiaanse radio riep alle inwoners op zich na twaalf uur ’s nachts op straat te wassen met dit gezegende water en daarna een slok te nemen van het waswater. Die nacht werd er in alle buurten gedanst. Een ceremonie vol rituelen om het virus te verslaan.

Een ton vol chloorwater

Lawota, een dorpje van 300 inwoners, ligt in Lofa, tot voor kort een van de zwaarst getroffen districten van Liberia. Nu is Lawota ebolavrij. Voor ieder huisje staat een ton met chloorwater om de handen te wassen, bij de met roze bougainville omhangen vergaderplaats op het dorpsplein hangen posters met de leuze: ‘Ebola is real’.

„In het begin dachten we door hekserij te zijn getroffen”, vertelt dorpshoofd Amos Sakse. „We behandelden de zieken met speciale kruiden.” Had hij op de radio dan nooit de waarschuwingen van de overheid gehoord over de ebola-epidemie? „We hebben geen tijd om naar de radio te luisteren, iedereen gaat bij het krieken van de dag naar zijn akker. Geen ambtenaar, geen politicus, niemand kwam ons helpen.” Na de eerste doden begonnen bewoners uit de omgeving Lawota te mijden. „We begroeven de lijken volgens onze rituelen. Er vielen steeds meer slachtoffers. Dat maakte dat we uiteindelijk gingen begrijpen dat ebola werkelijkheid was.”

Toen dat besef eenmaal was doorgedrongen, sloot iedereen zich angstvallig op zijn erf op. „Ik ben nog nooit zo lang bij mijn vrouw geweest”, lacht Sando Mulbah, een man op kaplaarzen en met gescheurde spijkerbroek. Zijn echtgenote begint te giechelen. „Eindelijk kwam hij mij en onze kinderen vertroetelen.”

Maar de quarantaine bedreigde ook de eenheid. „We konden geen voedsel meer delen, we konden niet meer voor elkaar zorgen.” Ook is er nu een slechte oogst. De dorpelingen klagen over gebrek aan inkomen en dreigende honger. Een jongen zegt: „En we kunnen niet meer zoals vroeger met teams uit buurdorpen voetballen. Want bezwete voetballers omhelzen elkaar en dat mag niet.”

Een smal pad door het hoge woud leidt naar de begraafplaats waar de eerste slachtoffers begraven liggen. „In Lawota leven we als een grote familie”, zegt Paulina, een jonge vrouw die voor de graven zorgt. Haar man werd ziek maar overleefde. „Ik raak hem voorlopig niet aan”, zegt ze. „Als hij thuis is, draag ik kaplaarzen en een plastic jas en wikkel mijn handen in plastic zakken. Als hij jeuk op zijn rug heeft, pak ik een stok en krab hem op zijn rug. Daarna was ik mijn handen met chloorwater. We hebben onze les geleerd.”

Naast haar staat Faula. Haar man, haar zus en haar vier kinderen, evenals haar oom: allen overleden. Ze snikt als ze haar verhaal vertelt. Niemand kan haar omarmen, niemand mag haar troosten. Haar echtgenoot was opgenomen in een behandelcentrum, waar hij is begraven weet ze niet. Wekenlang maakte ze zich zorgen over zijn dwalende geest, die wraak op haar zou nemen. „Maar vannacht kreeg mijn dochter een droom”, vertelt ze. „Haar vader, die houtskool droogde, verscheen in prachtige kleren.” Dat visioen stelde haar gerust, want in zulke mooie kleren kon haar echtgenoot vreedzaam naar het hiernamaals vertrekken. Ik zei tegen mijn dochter: „Maak je geen zorgen meer, mijn kind. We weten nu dat hij goed is aangekomen.”