Duits wild op een bedje van dennetakken

D ichtbij in het twee meter hoge riet valt een harde knal. Dan ruisen toppen van rietstengels alsof het plaatselijk hard waait. En dan rent een wild zwijn op me af. Ik spreid mijn armen, wil hard brullen, maar roep alleen maar: „Hé!” Het zwijn, een mannetje met flinke slagtanden, slaat daarop rechtsaf en verdwijnt met zijn zelfverzekerde korte galop in een volgend blok riet.

Ik roep naar de anderen: „Sau nach hinten!” Wat betekent dat een zwijn de verkeerde kant is opgelopen. Het is namelijk de bedoeling van de drijfjacht op grofwild (die in Nederland verboden is) dat wij met zijn vijven het wild voor ons uit jagen. We hebben daarvoor ook Arthur bij ons, een grote naam voor een kleine hond met een dekje dat hem tegen zwijnetanden moet beschermen. Verderop zitten om de paar honderd meter de jagers, veelal corpulente oudere mannen, op hun hoogzit te wachten op wat wij ploeterend door het riet opjagen.

„Dat was vroeger al zo met de adel, maar ook tijdens de DDR, en nu nog steeds. Die heren kunnen zitten, terwijl de gewone jongens het werk doen”, is later het commentaar van de kok bij de boswachterij.

Er mag op 90.000 hectare natuurgebied binnen de grenzen van de Duitse hoofdstad worden gejaagd. En het krioelt er van de zwijnen. Dat is hier in de moerassige weilanden van de Eichwerder Moorwiesen ten noorden van Berlijn ook goed te zien: grote stukken grond zijn omgewoeld. En in het riet, waar het soms scherp ruikt naar varkenspis, vind je met regelmaat open plekken waar de zwijnen comfortabele droge legers hebben gebouwd.

Onze groep drijvers wordt aangevoerd door boswachter André. Hij moet wild dat de verkeerde kant oploopt, afschieten. André komt nu ook uit het riet te voorschijn. „Welke kant ging hij op”, vraagt hij geagiteerd. Ik wijs. „Verdomme, die is weg”, zegt André. „Hij moet vlak voor me gelegen hebben. Ineens was hij me voorbij. Ik draaide me half om en schoot. Maar ik miste.” Ik denk terug aan de woorden van de jachtopziener die na het hoornblazen vanochtend, waarmee de jacht werd geopend, een protocol had voorgelezen aan zo’n vijftien jagers en de ongeveer dertig ‘jachthulpen’, waarvan ik er vandaag een ben. „Er is geen haast, bedenk dat”, had hij gezegd, „Neem de tijd om goed te mikken. Dat voorkomt toestanden met aangeschoten wild.”

Pas achteraf realiseer ik me dat ik geluk heb gehad. Op de Nederlandse radio hoor ik een week na de ontmoeting met het zwijn een gesprek met Pauline de Bok, auteur van de roman De jaagster. Jagen in Duitsland speelt in dat boek een grote rol. Een volwassen Keiler (mannetjeszwijn) kan volgens haar levensgevaarlijk zijn. „Hij kan een man met zijn slagtanden van onder tot boven openrijten.”

Gaat het de mensen die in dit seizoen weekend na weekend door de Duitse wildernis struinen om die adrenalinekick? Jagen is in Duitsland populair. Er zijn in Berlijn en omgeving alleen al vijftien ‘jachtscholen’ waar iedereen die „tijd, geld en ijver meeneemt” zijn jachtvergunning kan halen, schrijft de website Jagd. Een vergunning kost tussen de 1.600 en 3.500 euro. Veel wild wordt overigens geschoten door de Berlijnse boswachters. In deze kersttijd wordt dat verkocht op adventmarkten.

Konstantin, die de hele tijd dertig meter links van me heeft gelopen, komt er nu ook aan. Hij is bioloog aan de Berlijnse Humboldt Universiteit. Ik ken hem sinds hij afgelopen zomer promoveerde op een onderzoek naar de stadsvossen van Berlijn. Toen vertelde hij al over het vervolgonderzoek naar de zwijnen in het stedelijk gebied. Hij wil straks proeven nemen van het ‘zwartwild’ dat vandaag wordt geschoten. De bioloog vindt de jacht vooral uit oogpunt van wildbeheer zinvol. „Maar er zijn er natuurlijk ook die het om de trofeeën te doen is. Dat geeft de jacht een slechte naam.”

Uiteindelijk zijn slechts drie zwijnen en een ree geschoten. De dieren worden snel opengesneden. Konstantin neemt monsters van de verschillende ingewanden. Bij een vuur eten de jagers de maaltijdsoep van de boswachterij en drinken bier. „Het gaat veel mensen ook om de tradities die met de jacht verbonden zijn”, zegt de bioloog. Het wild wordt op een bedje van dennetakken gelegd. Aan weerszijden wordt vuur ontstoken. De jachtopziener houdt een toespraak. De jagers die iets geraakt hebben, krijgen een pluim. Er klinkt weer hoorngeschal. „Ze blazen nu ‘zwijn dood’”, zegt Konstantin. En ik ben blij dat André mijn zwijn heeft gemist.