De zaak-Ramesar: pijnlijke lessen voor de beroepsgroep

Wie leeft van de media, crepeert in de media. Moet dat de al te simpele slotsom zijn van de kwestie-Ramesar? De Trouw-redacteur blijkt op grote schaal te hebben bedrogen met de bronnen voor zijn artikelen, ook in het stuk over een ‘sharia-driehoek’ in Den Haag dat tot veel ophef leidde.

Ja, bedriegers heb je altijd, en als je „te goed van vertrouwen” bent, zoals de hoofdredacteur van Trouw over zichzelf schreef, kan dit iedereen overkomen.

Maar dat is veel te gemakkelijk. Het onderzoeksrapport van Egbert Myjer en Jeroen Smit roept brede vragen op, ook voor andere media.

Over zelfkritiek, bijvoorbeeld. Trouw verdient lof, want de krant trok maar liefst vier pagina’s uit voor de bevindingen van de onderzoekscommissie en maakte hun integrale rapport openbaar. NRC Handelsblad deed dat niet in de kwestie over prins Friso in 2012, evenmin als de Vara (de zelfmoord van Tim Ribberink) en de NOS (de zaak-Albayrak). Onderzoeker Thom Meens kreeg destijds wel een pagina in de krant om conclusies te trekken, maar zonder het rapport, al dan niet bekort of geanonimiseerd, kun je moeilijk zien waar die op gebaseerd zijn.

Over anonieme bronnen. De commissie stelt vast dat de regels daarvoor in de praktijk vaak niet worden nageleefd. Mijn indruk is dat het bij NRC Handelsblad niet veel beter is; zie de PvdA’ers die in anonieme citaten twee ex-collega’s de oren wasten. Ook in niet-Haagse stukken duiken geregeld sprekende anonymi op. Probleem: veel mensen willen niet met hun naam in de krant (alleen al uit Google-angst). Maar de krant zal toch strenger moeten worden: wie garandeert dat een sprekende anonieme bron niet is verzonnen? Bronnen zelf parafraseren kan heel goed (de journalist neemt zijn bevindingen voor eigen rekening), ‘lekkere’ anonieme quotes niet.

Over archiefbeheer. De vervolgstap die Trouw heeft genomen – het online en uit openbare digitale archieven verwijderen van de gewraakte stukken van Ramesar – vind ik compleet verkeerd. Die stukken moeten juist voor lezers beschikbaar blijven, met rode stip en verwijzing naar het onderzoek. Ronduit bizar handelt het AD, waar Ramesar eerder voor schreef, dat „uit voorzorg” ál zijn artikelen uit het archief gaat verwijderen, zonder nader eigen onderzoek.

Ik aarzel, uit eerbied voor Oost-Europa-experts, om zulk historisch retoucheren ‘stalinistisch’ te noemen. Maar ‘stalinoïde’ lijkt het me zeker. Moeten we Ramesar soms ook uit foto’s van personeelsfeestjes knippen? Dat is, zoals de Heilige Vader het frappant uitdrukte, een vorm van spirituele Alzheimer.

Hoe staat het intussen met de artikelen die Ramesar in 2002 schreef voor NRC Handelsblad, tijdens zijn stage op de Haagse redactie? Hij schreef zes stukken onder naam, over Haagse kwesties: een relletje om hoogbouw in Den Haag; het congé van staatssecretaris Bijlhout; de loopbaan van oud-Kamerleden; een wetsvoorstel over verjaring; als klap op de vuurpijl een interview met een bezoekende Indiase leermeester. Het dichtst bij zijn latere specialisatie komt een stuk over moslima’s in de Schilderswijk die van de VVD meer naar buiten moeten (VVD Den Haag vindt moslimvrouwen te bleek, 12.6.02). De verhalen bevatten in elk geval geen opvallend welbespraakte buurtbewoners met wonderlijke achternamen.

Over tunnelvisie en framing. Volgens oud-Kamerlid Tofik Dibi, in een column op zijn blog, „leverde” Ramesar op de keper beschouwd niet meer dan wat Trouw wilde horen: ophef over de multiculturele samenleving. De media ,,wedijveren’’ daarin.

Dibi heeft een punt. Morele paniek over integratie en de islam is al tien jaar een dominant frame. En bedriegers spelen graag in op tijdgeestgevoelige onderwerpen. Zoals Jan Haerynck in 1996 scoorde met een verzonnen stuk over mogelijk misbruikte kinderen (in Euro Disney), toen een nationale kopzorg. Toenmalig Volkskrant-ombudsman Jos Klaassen schreef daar destijds dit over: „Soms kan een verhaal zo ontzettend geloofwaardig zijn dat de gedachte aan een canard zelfs niet in je opkomt.” Aha. Zoals ‘de shariadriehoek’ anno 2013 geloofwaardig was, ook al klinkt het als de titel van een airport novel?

Toch ligt het ingewikkelder, want het was dit keer juist niet zo dat het hele journaille blaffend achter het bot aanrende. Ramesars verhaal werd ook meteen in twijfel getrokken. De hoofdredacteur van Trouw moest het – noodlottig – verdedigen; nota bene De Telegraaf bracht later compleet andere verslagen uit de Schilderswijk. Inhakken op falende ‘mainstream media’ kan natuurlijk zelf ook een frame worden.

En NRC Handelsblad? Dat bracht een kort, sceptisch bericht (‘Haagse buurt is geen kalifaat’, 30 mei 2013) en een kritisch opiniestuk van Maarten Zeegers (‘Sharia-driehoek? Het is vooral verpaupering’, 1 juni 2013).

Wrang genoeg leidde het schandaal bij Trouw ook tot schade bij NRC Handelsblad: het schrappen van Ramesars naam uit haar column, toen NRC die net als Trouw nog niet wilde noemen, was voor columniste Margriet Oostveen reden op te stappen.

Over journalistieke genres. In het rapport zegt Ramesar zelf: „De nieuwsverhalen zijn echt helemaal waar.” Vond hij fictie dan eerder toegestaan in zijn ,,repo-verhalen’’? Kranten brengen steeds minder berichten – het nieuws kent iedereen ‘toch al’– en meer reportages en persoonlijke stukken. Maar facts are sacred geldt niet alleen voor nieuws. Wie het beginsel met de voeten treedt, ook in een ‘sfeerverslag’, legt de bijl aan de wortel van de journalistiek.

Over redactiecultuur. Misschien het meest structurele punt. De onderzoekers constateren bij Trouw te weinig ambachtelijk gesprek, en te weinig openheid voor kritiek, op de redactie en bij de leiding. Ramesar was een rijzende ster, een ijverige collega die graag aanpakte wat chefs hem „gretig” vroegen.

De onderzoekers merken ook op dat de krant recentelijk was overgegaan „van een aanbodgestuurde productie naar een vraaggestuurde productie”. Dat betekent: de krant wordt niet meer samengesteld uit het aanbod van deelredacties, maar meer top down gemaakt met centrale regie. Het heeft voordelen: het veldhospitaal van de pers ligt vol hoofdredacteuren die klagen dat nu nooit eens gebeurde wat zij wilden. Maar deze kwestie laat de keerzijde zien: ‘u vraagt, wij draaien’, een cultuur waarin kritiek niet op prijs wordt gesteld en het inhoudelijke gesprek stilvalt. Funest, want een redactie moet een journalistieke werkgemeenschap zijn, geen productiehuis.

NRC Handelsblad werkt niet op dezelfde manier als Trouw, maar ook bij deze krant is sprake van „professionalisering en verzakelijking”, zoals de onderzoekers het noemen. Meer regie, strakkere planning. Dat moet een betere en slagvaardiger krant opleveren, maar tegelijkertijd loert het gevaar van een organisatie die produceert, maar niet meer praat. De hoofdredactie organiseert nu geregeld bijeenkomsten voor de redactie. Gewoon elke week de krant en sites collectief nabespreken zou ook kunnen helpen.

Allemaal aandachtspunten voor het komende jaar.

Mét suggesties en kritiek van u, graag. Lezers weten vaak evenveel als, of meer dan, journalisten.

Of ombudsmannen. Enkele lezers maakten mij erop attent dat mijn lijst journalisten die hun eigen ziekbed beschrijven, incompleet was (Het eigen ziekbed is in kranten doorgebroken, 8 november).

Zij herinnerden zich nog de baanbrekende artikelen van Algemeen Dagblad-journalist Louis Sinner, in 1979 overleden aan keelkanker. Een ander wees mij op de puntgave ziekenhuiscolumns van de jonge Trouw-journalist Herman Pierik, uit 1989.

En er zijn er meer; een inventarisatie (uit 1997) is te vinden in Verslaggever van eigen leed van Rineke van Houten, op www.rinekevanhouten.nl. Over Sinner merkt zij op dat veel van zijn privéleven ook „privé bleef”. Ook in dit toch al persoonlijke genre heeft de personalisering dus verder doorgezet.