De tropische wereld thuis

De natuur in huis houdt van warm en droog. En die huisdieren zijn wereldwijd steeds meer dezelfde.

We noemen het ongedierte. Huismuizen, kakkerlakken, huiskrekels, ovenvisjes, bedwantsen, meelmotten en zelfs wc-motmuggen.

Je kunt het ook anders zien. Al die dieren in het huis vormen een ecosysteem. Het moderne westerse huis is altijd warm, meestal droog, en voedsel is er overal te vinden. Als de gemorste rijst op is, beginnen de beestjes gewoon aan het behang.

In het recente boek Where do camels belong? schrijft Ken Thompson over deze moderne medebewoners. Hij noemt ze ‘antropofielen’: de dier- en plantensoorten die zo van mensen houden, dat we ze overal mee naartoe nemen. „Elke soort die houdt van het gezelschap van Homo sapiens of zijn gebouwen, auto’s, huisdieren, tuinen, vee of weiden, zal zich uiteindelijk verspreiden naar nieuw terrein.”

Thompson wil maar zeggen: de natuur verandert, en de huisnatuur ook. De opwarming van het klimaat zorgt in West-Europa voor nieuwe huisdieren. Er komen ook steeds méér moderne huizen, overal ter wereld. En de mensen en het voedsel in die huizen, reizen verder en vaker de wereld over.

Zo ontstaat langzaam maar zeker één wereldwijde huizenbiotoop, waarvan de bewoners van Tokio tot Groningen en Johannesburg op elkaar lijken. Dezelfde naaktslakken achter de plinten, dezelfde schimmels in het stof in de hoekjes. „De stadsnatuur lijkt overal op elkaar”, zegt bioloog Jinze Noordijk van het EIS Kenniscentrum Insecten, gevestigd in museum Naturalis in Leiden. „En in Nederland is dat in extreme mate zo. De meeste steden zijn hier gebouwd op opgespoten zand met tegels erover, en daar horen steeds dezelfde soorten bij.”

Het Aziatisch lieveheersbeestje is zo’n nieuwe huisbewoner in Nederland. Het lieveheersbeestje, dat oranje, rode en zwarte schilden en stippen kan hebben, heeft zich de afgelopen vijftien jaar over grote delen van Europa verspreid. En dat kon het doen dankzij de beschutting van de deurposten en de luxaflex. In hun natuurlijke leefgebied in China en Mongolië overwinteren deze Aziatische lieveheersbeestjes in kalkrotsen.

In andere landen zitten de Aziatische lieveheersbeestjes er precies hetzelfde bij. Ze komen inmiddels ook voor in Zuid- en Noord-Amerika en in Zuid-Afrika. In oktober schreef de Britse ecoloog Beth Purse in Journal of Biogeography hoe het lieveheersbeestje zich sinds 2003 over Groot-Brittannië heeft verspreid: vanuit Kent naar het noorden van Schotland, in slechts vijf à acht jaar. Steden droegen het meest bij aan hun verspreiding, berekende Purse. De lieveheersbeestjes overwinteren achter de gordijnen en eten luizen in de lindes op het pleintje.

Ook de wc-motmug (Clogmia albipunctata) is zo’n nieuwkomer. Vijf jaar geleden beschreef bioloog Louis Boumans, die toen aan de Universiteit van Amsterdam werkte, de eerste vondst in Nederland in Nederlandse Faunistische Mededelingen. Boumans hoefde er niet ver voor. „Eind 2008 kwamen in enkele werkkamers op de vijfde verdieping motmuggen tevoorschijn uit de verwarmingsroosters, zo nu en dan in groten getale.” Ze zaten overal. Ingeschakelde amateurs vonden de beestjes in de keuken, in de badkamer. En warempel, ze vlogen ook in de wc’s van het Zoölogisch Museum Amsterdam. Een nieuwe soort voor Nederland was een feit.

In de natuur komt de wc-motmug in Nederland niet voor, maar in de tropen en subtropen is het een heel gewoon buitenmugje. En dat geldt voor veel huisdieren in West-Europa en de rest van de wereld. Huisstofmijten, die waarschijnlijk al tienduizend jaar in menselijke nederzettingen voorkomen, leefden oorspronkelijk in vogelnesten in de tropen, beschrijft Matthew Colloff in het handboek Dust mites (2009).

Jinze Noordijk vult aan: „De trilspin die in de hoekjes achter de kast hangt, is een soort uit het Middellandse Zeegebied. Daar leeft de spin wel buiten.” Het papiervisje (dat vaak verward wordt met het zilvervisje) komt waarschijnlijk uit droge gebieden zoals steppes of woestijnen. Hij doet het uitstekend in moderne, droge Nederlandse huizen omdat hij nooit hoeft te drinken, schreven Badda Beijne Nierop en Tom Hakbijl in 2002 in Entomologische Berichten. Het beestje neemt via zijn anus water op uit de atmosfeer en kan 300 dagen zonder eten.

Er is zelfs een algemene huisnaaktslak die ‘lichte aardslak’ heet – en dat is net als de trilspin een mediterrane soort. Noordijk: „Die komt in veel Nederlandse huizen voor, maar hij valt niet op omdat het een nachtdier is. Veel mensen kennen de slijmsporen op de vloer of op het aanrecht wel, denk ik.” Door de opwarming van het klimaat zijn steeds meer van zulke huissoorten in Nederland terecht gekomen.

Wereldwijd transport doet de rest. De mediterrane aardslak is al sinds de zeventiende eeuw in Nederland, maar sindsdien is hij „naar allerlei uithoeken van de aarde” getransporteerd, net als het Aziatische lieveheersbeestje.

Noordijk: „Ik ben momenteel een nieuwe soort stofluis voor Nederland aan het beschrijven. Die leeft van restjes stof en huidschilfers in woningen, in bibliotheken, archieven. Zulke stofluizen zijn vooral bekend uit Zuid-Amerika, maar deze komt in de hele wereld voor. Het ligt voor de hand dat-ie versleept is.”

Deze nieuwe Nederlandse huisnatuur is bovenmatig rijk aan ongewervelden, en dat is ook de Europese trend. In heel Europa vestigen exotische insecten zich vooral in steden, becijferde een groep Europese ecologen in 2010 (Global Ecology and Biogeography). Want, dachten Petr Pysek en zijn collega’s: daar komen ze vooral terecht via transport van mensen, goederen en planten, daar hebben ze weinig natuurlijke vijanden. (En van een heel andere orde: in de steden wonen ook de meeste biologen die de beestjes opmerken.)

In voorgaande eeuwen was het Nederlandse huis – en de schuur – ook een schuilplaats voor allerlei grotere dieren. Denk aan de kerkuil, de boerenzwaluw en de gierzwaluw, en acht van de dertien Nederlandse soorten vleermuizen. Maar voor die dieren is in moderne, kierloze huizen juist geen plek. Ze ruimen het veld en moeten in egelhuisjes en gierzwaluwkasten worden opgevangen.

De stadsbiotoop krijgt op deze manier steeds minder te maken met het omliggende landschap. Een extreem voorbeeld is de ‘metromug’ Culex pipiens molestus. Dat is een variant van de gewone steekmug (C. pipiens) die overal ter wereld in metrotunnels leeft, ook in Nederland. Britse metromuggen lijken genetisch meer op hun ondergrondse broertjes in Jordanië of Japan, dan op bovengrondse soortgenoten in het Verenigd Koninkrijk.

En ja, zo gaat het inderdaad ook met de kleine beestjes in huis, denkt Jinze Noordijk. Maar zorgelijk vindt hij het niet. „Geen enkele soort die aan huizen gebonden is, komt van nature bij ons voor.” Ze zijn met de mens meegekomen, soms millennia geleden zoals de huismuis.

Over het algemeen zijn de nieuwe huissoorten een aanvulling op de bestaande fauna, zegt hij. Ze verdrijven geen lokale soorten. „Mensen waren bang dat Nederlandse lieveheersbeestjes zouden verdwijnen door de komst van het Aziatische lieveheersbeestje. Maar dat is niet gebeurd. We zien juist dat de Aziatische soort minder algemeen is dan tien jaar geleden, hij lijkt een gewoon plekje in het ecosysteem te hebben gevonden.”

Er zijn wel typische huissoorten die het de afgelopen jaren moeilijk hebben gekregen – door voedselhygiëne. De huiskrekel, de faraomier en het ovenvisje waren een halve eeuw geleden dagelijkse bewoners van warme plekken zoals bakkerijen. Noordijk: „En nu zien we ze bijna nooit meer. De huiskrekel staat op de Rode Lijst, en dat betekent dat hij zeldzaam geworden is.” Zijn er al mensen die ze willen beschermen? Noordijk grinnikt. „Een paar liefhebbers misschien.”