De ramp met de MH17 kan en mag niet worden vergeten

2014 is voor Nederland ontegenzeggelijk het jaar van de ramp met vlucht MH17 van Malaysia Airlines. Een gebeurtenis waarvan nu, ruim vijf maanden later, de gevolgen nog altijd niet volledig zijn te overzien. Niet voor Nederland en, vanwege de geopolitieke dimensies, niet voor de rest van de wereld. Heel bijzonder is dat niet. De geschiedenis kent vele voorbeelden van ‘incidenten’ die met terugwerkende kracht verstrekkende betekenis krijgen.

Dat ligt in het geval van vlucht MH17 trouwens gedeeltelijk anders. Vrijwel van het begin was duidelijk dat het om meer ging dan een ongeluk. Het toestel, in Amsterdam opgestegen op weg naar Kuala Lumpur met 298 inzittenden aan boord, onder wie 196 Nederlanders, stortte neer boven Oost-Oekraïne. Dat kan als oorlogsgebied worden beschouwd. Het toestel was neergehaald. Alleen is de vraag door wie en door wat tot op heden nog niet officieel beantwoord.

Dat roept begrijpelijke frustraties op. De diverse aanwijzingen gaan voor het merendeel maar in één richting. Het toestel zou zijn geraakt door een raket van door Russen gesteunde separatisten die in Oost-Oekraïne strijd leveren tegen de regering in Kiev. Daarbij zou gebruik zijn gemaakt afweergeschut dat door Rusland zou zijn geleverd. Maar bewijs moet ook gestaafd worden. Zeker door landen die zich beroepen op rechtstatelijkheid.

Er lopen twee door Nederland geleide internationale onderzoeken naar de exacte toedracht: een door de Onderzoeksraad voor Veiligheid en een strafrechtelijk onderzoek waarbij het Openbaar Ministerie het voortouw heeft. De resultaten van die onderzoeken zijn er nog niet, wat iets anders is dan dat ze niet komen. Vooral bij zaken waar grote (internationale) belangen in het geding zijn, gaat het om het leveren van onomstotelijk bewijs dat standhoudt voor de rechter. Zoiets kost tijd.

Deze situatie brengt de Nederlandse regering in een lastig pakket. Aan de ene kant heeft Nederland als meest getroffen land alle belang bij een helder antwoord op de kortst mogelijke termijn. Dat is men ook verplicht aan de nabestaanden. Tegelijk kan Nederland als leider van de onderzoeken juist niet vooruitlopen op de conclusies. Daardoor zou immers de onafhankelijkheid van die onderzoeken worden aangetast.

Wat de Nederlandse regering wel moet doen – gezien de moeilijke positie – is het geven van maximale transparantie. De Tweede Kamer was dit najaar terecht ontevreden over de lakse informatieverstrekking. Het kabinet leek telkens achter de feiten aan te lopen als het ging over wat er de dagen na de ramp nu precies aan activiteiten was ontplooid. Dat zaken anders zijn gelopen dan aanvankelijk is voorgespiegeld, zoals bijvoorbeeld het geval was met de, juist positieve, werkzaamheden van Oost-Oekraïense hulpverleners ter plaatse, is inmiddels duidelijk. Maar er moest steeds om worden gevraagd. Juist als de bewegingsruimte voor de regering beperkt is, moet waar die ruimte er wel is zij kiezen voor een actieve in plaats van een reactieve informatieverstrekking.

De ramp met vlucht MH17 gebeurde op 17 juli. Daarna volgden vele woorden en beschouwingen over de diepgaandere betekenis van deze aanslag. Voor de nabestaanden en hun omgeving is dit evident. Levens zijn verwoest, bressen geslagen in gemeenschappen. Het feit dat zo velen een (indirecte) band konden leggen met een of meer slachtoffers, liet zien dat heel Nederland was geraakt.

Op knappe en indrukwekkende wijze is met de bijeenkomsten in Eindhoven toen de slachtoffers waren teruggevlogen iets goedgemaakt van de ontluisterende toestanden op de rampplek.

Tijdens de nationale herdenkingsbijeenkomst in Amsterdam op 10 november sprak theologe Jacobine Geel over de mens die tweemaal sterft: de eerste keer wanneer zij overlijdt, de tweede keer wanneer zij wordt vergeten. Niet vergeten. Dat is de opdracht voor eenieder. Voor de nabestaanden is dat het koesteren van herinneringen. Voor de regering is dat het leveren van een compromisloze inspanning om de schuldigen voor het gerecht te krijgen.