De een na de ander sprong in het water

In mei rijdt in Haarlem een auto in de gracht die meteen zinkt. Bestuurder Patrick Keeler krijgt zijn gordel niet los. Toch overleeft hij het. Over een bijna fataal ongeluk en wie de auto achterna doken.

Foto Merlijn Doomernik

Op woensdag 28 mei, net na half 5 ’s middags, rijdt Patrick Keeler (44) met zijn zilvergrijze BMW 628 CSI, een klassiek model uit 1981, op de Kinderhuissingel in Haarlem. Hij heeft zojuist om de hoek zijn negenjarige dochter Una afgezet voor bijles en is nu op weg naar de Albert Heijn. Het is de dag voor Hemelvaart, de winkels zullen morgen dicht zijn en hij moet de boodschappen voor de komende week nog halen.

Misschien is hij die dag te gestrest door de drukte op zijn werk – Patrick is zelfstandig grafisch vormgever en er lopen een paar flinke opdrachten met een strakke deadline – en trekt hij te ongeduldig op. Het kan ook dat hij de pittige achterwielaandrijving van zijn nieuwe coupé sport injection – hij heeft de auto pas sinds twee maanden – onderschat en dat de auto feller reageert dan hij gewend is. Of misschien is het wegdek die dag wat glad door de regen – de politie zal later zeggen dat er die dag meerdere auto’s een schuiver hebben gemaakt.

Het zal nooit duidelijk worden wat de oorzaak was, maar ter hoogte van de fietsbrug bij de Nieuwe Gracht raakt hij in een slip. De auto schuift over de andere weghelft en Patrick doet nog een poging om tegen te sturen. Er is geen houden aan. De auto dendert op de waterkant af, schampt een ijzeren reling, slaat over de kop en komt ondersteboven in het water terecht. Patrick denkt: nu gaat het helemaal mis. Door de klap met de reling, het kan ook zijn gebeurd toen de auto het water raakte, slaat de voorruit eruit en zinkt de auto onmiddellijk. Patrick hangt op z’n kop in het water en raakt in paniek. De vertrouwde indeling – dashboard, stuur, versnellingspook, stoel – is zoek. Gedesoriënteerd probeert hij zijn gordel los te maken maar zijn handen hebben geen idee welke kant ze op moeten. Zo kan je dus doodgaan, flitst er door hem heen. En: oh nee, de kinderen, ik kan niet sterven. Hij herinnert zich hoe koud het water is dat even later zijn longen binnenloopt. Misschien is er nog hoop, denkt hij nog. En dan komt er berusting. En gaat het licht uit.

Tobias Nierop (27) loopt op dat moment langs de gracht. Hij is acteur en moet die avond spelen in het toneelstuk Geloof Liefde Hoop in de Toneelschuur in Haarlem. Plots hoort hij achter zich het geluid van een gierende motor van een auto. Als hij omkijkt ziet hij hoe de achterkant van een auto over een hek kantelt. Hij rent er naartoe. De auto ligt op z’n kop in het water, de wielen draaien nog. Een seconde denkt hij: is het nou heel praktisch dat ik nat word? De volgende seconde heeft hij zijn tas neergezet, doet hij zijn jasje en zijn schoenen uit en glijdt langs de hoge rand het water in. Hij komt uit Amsterdam, dan weet je dat je niet moet springen. Voor je het weet land je op een roestige fiets of een oude winkelwagen. De gracht is op die plek een paar meter diep, de bodem is modderig en loopt af. De auto is nog niet helemaal onder water en Tobias waadt er langs. Hij weet een zijdeur open te krijgen en steekt zijn arm naar binnen. Niemand. Fuck, ik moet naar de andere kant, redeneert hij. De auto zakt verder naar beneden en om bij de andere zijdeur te komen moet hij duiken. Onder water ziet hij geen hand voor ogen. Op de tast weet hij de andere zijdeur open te krijgen. Weer niemand. Hij besluit dat het niet verstandig is de wegzinkende auto binnen te gaan. Als hij weer boven water komt, hebben zich inmiddels meerdere mensen verzameld op de kant. Er zit nog iemand in, schreeuwt Tobias.

Sirene en zwaailichten

De Schot Francis Plunkett (30), barman bij Murphy’s Irish Pub op Schiphol, en zijn vriendin zijn die dag al vier keer getuige geweest van de nasleep van een ongeluk – blikschade, verschrikte mensen, politiewagens erbij. Als ze in Haarlem langs de gracht rijden, ziet hij vanuit zijn ooghoek een berg water opspatten op het moment dat Patricks auto het wateroppervlak raakt. Nummer vijf, denkt Francis. Hij zet de auto stil en begint te rennen. Dan stopt hij, rent terug en gooit zijn sleutels en portemonnee en telefoon in de auto. Met dat toestel belt zijn vriendin 112 – om 16.33 uur ontvangt meldkamer Kennemerland de eerste melding. Het ongeval krijgt Prio1, wat wil zeggen dat alle hulpdiensten er met sirene en zwaailichten naartoe mogen rijden. Het is Francis die, in eerste instantie met Tobias maar daarna alleen, steeds weer opnieuw en opnieuw naar beneden zal duiken met maar één gedachte in zijn hoofd: ik moet hem eruit krijgen. Of hen, want hij heeft geen idee hoeveel mensen er in de auto zitten.

Etta Schmitt (49) en Janine Bisschops (26) rijden die middag samen naar de garage voor een reparatie aan de auto van Etta. Ze zijn met elkaar bevriend sinds Etta, een alleenstaande moeder, samen met haar zoontje geregeld een ijsje gaat halen in ijssalon Garonne, waar Janine een bijbaantje heeft. Janine is basisarts en op zoek naar een plek in een ziekenhuis om zich te kunnen specialiseren als gynaecoloog. Etta is bedrijfsarts in opleiding. Ter hoogte van de Nieuwe Gracht komen ze stil te staan in het verkeer. Ze horen geschreeuw en zien mensen bij het water. Ze stappen uit, laten de auto midden op de weg staan met de sleutel in het slot en de handtassen op de stoelen en rennen naar de waterkant. Etta schopt haar hoge hakken uit en springt. Janine blijft aan de kant omdat ze meent dat ze daar beter haar werk kan doen – zo meteen, als er slachtoffers uit het water worden gehaald.

Een kind in een stoeltje

Op dat moment, het is inmiddels 16.35 uur, is er bij iedereen nog grote verwarring over hoeveel mensen er in de auto zitten. Een omstander roept dat er twee mannen uit de auto zijn gekomen en dat die op de kant zijn geklommen en hard zijn weggerend. Het zou gaan om een afrekening in het criminele circuit. Een ander beweert dat er een kind op de achterbank zit, in een kinderstoeltje.

Lotte van Meurs (33) is docent aan de Amsterdamse Heldringschool, die speciaal onderwijs biedt aan leerlingen met een verstandelijke beperking. Daarnaast is ze triatlonatlete, eredivisie. Ze woont nog niet zo lang in Haarlem en raakt die middag, op weg naar de sportwinkel, de weg kwijt en belandt zo op de Kinderhuissingel. Ze stapt uit, rent naar de waterkant en springt. Bij de auto duikt ze naar beneden en raakt in paniek. Snakkend naar adem komt ze boven. Ze weet dat ze dit niet nog een keer zal durven. Nog wekenlang zal zij, de getrainde zwemster met veel ervaring in diep, open water, zich daar schuldig over voelen.

Uiteindelijk springen er die middag acht mensen het water in. Robert Pascal (45), manager bij een consultancybedrijf, die met zijn 1.90 meter en meer dan 100 kilo een cruciale rol zal spelen in het open buigen van de deur en het kantelen en stabiel houden van de auto, samen met Paul-Frédéric Viès (32), zelfstandig internetondernemer. Die ziet vanuit een pand aan de overkant alles gebeuren en sprint naar buiten. Hij herinnert zich nog dat hij tijdens het rennen ziet hoe een paar meisjes alles filmen. Ongelooflijk, schiet er door hem heen. Hij zal onder meer proberen het achterraam met zijn vuisten kapot te slaan en heeft tot op de dag van vandaag last van zijn knokkels. Mohamed Kasmy (25), chauffeur bij een klein bedrijf in Amsterdam, is met een vriend op weg naar de bank om geld te storten. Hij heeft astma maar besluit dat hij niet kan blijven toekijken. Jaap Maarse (53), tot slot, is eigenaar van een bedrijf dat bedrijfsreizen organiseert. Hij zit zakelijk in een zware periode en heeft die middag net een sessie stressreductie achter de rug. Als hij langs het ongeluk fietst denkt hij: „Dit kan er ook nog wel bij.” Hij stapt af, zet zijn fiets tegen een boom en springt.

Samen weten ze de auto op zijn zijkant te duwen en weer duikt Francis verschillende malen naar beneden. Hij zal later vertellen dat hij geen idee heeft wie er behalve hem in het water is gesprongen – hij ziet niemand, voelt geen kou, niet het gat dat hij later in zijn hand blijkt te hebben of de diepe schrammen op zijn armen. Hij vraagt wel Robert Pascal om zijn been vast te houden – zodat die hem eruit kan trekken, mocht hij vast komen te zitten. Dan voelt hij een voet op de achterbank. Hoe Patrick daar is beland is nog steeds een raadsel. Misschien is hij uit de gordel gegleden toen zijn lichaam verslapte op het moment dat hij buiten bewustzijn raakte, of heeft hij zich in zijn doodsstrijd toch weten te bevrijden. Francis weet Patrick uit de auto te krijgen, duwt hem omhoog en geeft hem af aan de anderen. Als Patrick vervolgens naar de kant wordt gemanoeuvreerd is het 16.38 uur. Hij heeft ruim 5 minuten onder water gelegen.

Hartmassage

Janine Bisschops, die alles vanaf de kant heeft gevolgd, duikt naar voren als Patrick op het gras wordt gehesen. Ze constateert dat Patrick klinisch dood is en begint onmiddellijk met reanimeren. Bij de hartmassage breekt ze twee ribben. Als Etta een paar minuten later aan wal wordt gehesen neemt die de hartmassage over en doet Janine de mond-op-mondbeademing. Na een minuut begint Patrick te gaspen, een eerste teken van leven. Inmiddels zijn ambulance, politie en brandweer met een duikersteam gearriveerd en landt er een traumahelikopter in het naastgelegen Kenaupark. De hulpdiensten nemen de reanimatie over en brengen hem naar het traumacentrum van het VU Medisch Centrum in Amsterdam.

Terwijl duikers de auto controleren op andere inzittenden, worden de drijfnatte redders opgevangen door de hulpdiensten. Ze worden geregistreerd en krijgen een isoleerdeken tegen onderkoeling. Tobias, die als eerste ter plekke was, heeft dan net zijn rugzak en zijn jas en schoenen teruggevonden en besluit dat het zo wel genoeg is geweest. In zijn eentje loopt hij richting theater. Vijftig meter verderop begint hij hevig te rillen en merkt hij pas hoe koud hij het heeft. Hij wordt uiteindelijk door een ambulance naar De Toneelschuur gereden. „Ik kom hier vanavond spelen”, zegt hij tegen de twee dames van de receptie, die een drijfnatte jongeman, gehuld in een gouden deken, de hal binnen zien wandelen. Die avond vergeet hij een regel van zijn tekst, als er een scène wordt gespeeld waarin een drenkeling uit het water wordt gehaald en een poging tot reanimatie niets meer uithaalt.

De longfoto van Patrick die in het ziekenhuis wordt gemaakt ziet er ‘verschrikkelijk’ uit, zal hij later op zijn Facebook-pagina schrijven. Hij wordt op de intensive care kunstmatig gekoeld tot 32 graden Celsius en beademd, waarbij men probeert het vocht uit zijn longen te krijgen. Over hoe hij er op dat moment neurologisch aan toe is valt nog niks te zeggen. Zijn vriendin Uriël Nieuwenburg neemt met familie en vrienden haar intrek in een familiekamer van het VUmc. Drie dagen lang blijft het kantje boord. Op donderdag besluit zij dat hun dochters Una (9) en Flox (6) naar het ziekenhuis moeten komen omdat, zoals ze zegt, „ik het mezelf nooit zou vergeven als ze Patrick niet meer levend zouden zien. Ook al had ik ze willen behoeden voor een vader die ze bijna niet zouden herkennen en die bovendien koud was”. Op vrijdag wordt Patrick soms wakker en op zaterdag herkent hij voor het eerst mensen. „Toen iemand zei dat het een goed idee was mijn bril op te zetten ging dat nog beter”, schrijft hij op Facebook. Daarna gaat het snel vooruit.

Zwarte lippen

Janine Bisschops slaapt de eerste week slecht en belt drie keer naar het ziekenhuis om te vragen hoe het met Patrick gaat. Etta Schmitt droomt over mensen die ze moet redden maar waar ze niet bij kan – bijna iedereen die er die dag bij was heeft dergelijke dromen. Mohamed Kasmy vraagt na een week bij het politiebureau om het nummer van Patrick: „Ik wilde heel graag weten hoe het ging. Met hem praten. Dan kon ik het afsluiten.” Triatlon-atlete Lotte van Meurs volgt een traject van Slachtofferhulp omdat ze niet kan verwerken dat ze verstijfde onder water en omdat ze het akelige beeld van de dode Patrick – opgezwollen lichaam, een vol rond hoofd, vaalgrijze kleur, zwarte lippen – maar niet uit haar hoofd kan krijgen. Zij zal hem dan ook als eerste persoonlijk ontmoeten – een idee van Slachtofferhulp, om dat akelige beeld te vervangen door hoe hij er nu uitziet: gezond, slank, met een normale huidskleur. „Ik zag hem en ik moest zo huilen. Ik bleef maar tegen hem zeggen: wat ben je mooi, wat ben je mooi. Zo, tja, hoe zal ik het zeggen, lévend.”

Alle redders ontmoeten Patrick en Uriël, en elkaar, vier weken later, op 26 juni, op het politiebureau, op initiatief van politie en Slachtofferhulp. Voor de meesten is het de eerste keer dat ze hem na het ongeluk weer zien. Jaap Maarse stelt zich voor aan Patrick en vraagt hem: „En wie ben jij?” „Ik was het slachtoffer”, zegt Patrick lachend. Ook Robert Pascal herkent hem nauwelijks: „Ik had het idee dat we een man van mijn postuur uit het water haalden. Maar hij is kleiner en tengerder dan ik.” Het wordt een emotionele bijeenkomst, die voor Patrick voelt als „een soort reünie met vrienden die je heel lang niet hebt gezien. Er was een groot gevoel van verbondenheid, alsof ik deze mensen al heel goed kende. We raakten maar niet uitgepraat.” Iedereen vertelt die avond zijn deel van het verhaal, waardoor alle losse puzzelstukken op hun plaats vallen. Er is een applaus voor Francis. Er wordt ook gezegd hoe opvallend het was dat alle sleutels, portemonnees en telefoons er na het ongeval nog lagen. „Logisch,” zegt Mohamed, „de enige Marokkaan die er was lag in het water.” Lotte van Meurs begrijpt tijdens deze bijeenkomst dat zij niet de enige was die niet vaker naar beneden dook, die dag in mei. Zij zal zich na deze avond een stuk beter voelen. De anderhalf uur die er voor de bijeenkomst gepland staan worden er drie en bij de kroeg die ze daarna samen bezoeken, worden ze er rond sluitingstijd uitgestuurd.

Overlevingskans

De kans dat Patrick Keeler dit ongeluk zou overleven was minder dan 1 procent, zeggen zijn twee reddende artsen Etta en Janine. Ze noemen het een medisch wonder dat hij er zonder fysieke en neurologische gevolgen uit is gekomen. Patrick besluit al terwijl hij nog op de intensive care ligt dat hij niet op de oude voet verder kan en wil leven. „Ik was totaal overwerkt, ik werkte dag en nacht, de verhouding werk-privé was zoek. Het ongeluk heeft mij uiteindelijk de impuls gegeven om de dingen die ik wilde veranderen nu echt aan te pakken. Al gelijk in het ziekenhuis ben ik gaan schrijven: zo en zo wil ik het, dit en dit moet anders. Het was voor mij heel helder, heel positief.”

Eenmaal thuis merkt hij hoe snel hij weer geneigd is in het oude stramien terug te vallen. Daarom gaat hij, via zijn inkomensverzekeraar, met een coach aan de slag. Daar hoort ook bij: het achterhalen van de redenen waarom hij eigenlijk zo hard werkt. En het loslaten van vaste patronen. Dat is niet makkelijk, maar langzaamaan gaat het beter. Hij slaapt meer, werkt minder, deelt zijn tijd efficiënter in. „Soms merk ik dat ik weer loop te jagen maar dan denk ik heel snel: stop. Uriël en de kinderen zijn daar ook heel blij mee. Ik realiseer me: je moet nu van het leven genieten. Dit is het. En het kan maar zo voorbij zijn.”

Naschrift (27 december 2014): In een eerdere versie van dit artikel werd op twee plaatsen een onjuist tijdstip genoemd. Dat is hierboven gecorrigeerd [red.]