Tsunamiweesje Jannah kan nu econoom worden

Voor de overlevenden stonden de laatste tien jaar in het teken van één ding: doorgaan. De jongeren in een Indonesisch weeshuis kregen kansen die ze anders niet hadden gehad. Maar de pijn blijft.

De hoofdstad Banda Atjeh in januari 2005 (boven) en eerder deze maand, met nieuwe huizen en bestrating (onder).

Als Mistahul Jannah (18) haar taekwondo trap wil tonen, breekt er lichte paniek uit in het weeshuis. Waar is haar joggingbroek? Terwijl Jannah verder praat, rent een vriendin door de tropische tuin om in de riante bungalows een sportbroek te zoeken. Het weeshuis wil dolgraag laten zien dat de tsunamiwezen van tien jaar geleden nu alle kansen krijgen. Ze hebben de trauma’s van 26 december 2004 – toen de torenhoge, inktzwarte, kolkende golf hun huizen en familieleden opslokte – rustig kunnen verwerken. Ze kunnen onderwijs volgen. Ze kunnen hun talenten, zoals taekwondo, ontplooien.

Het weeshuis is exemplarisch voor Banda Atjeh tien jaar na de tsunami. Een schonere en beter georganiseerde Indonesische stad is nauwelijks te vinden. Het werk van overheden en ngo’s is zichtbaar. De kanalen langs de kust zijn breed, de oevers verstevigd met rotsblokken. Nieuwe mangroves beschermen kustdorpjes.

De geordende kalmte is tegelijkertijd een litteken van de tsunami. Nog steeds wonen er tienduizenden mensen minder in Banda Atjeh dan vóór de ramp. Overal in de stad hangen bordjes met een afbeelding van een vloedgolf, een rennend mannetje en een pijl die naar de heuvels of een noodgebouw wijst. Dat zijn een soort parkeergarages waar bewoners in kunnen klimmen om veilig te zijn, mocht het opnieuw gebeuren.

Arabisch geld

Bij elk project staat wie het gebouwd heeft. Een buitenwijk met crèmekleurige huisjes heet het China-Indonesia Friendship Village. Iets verderop staat een vergelijkbaar project met blauwe daken, gebouwd met Arabisch geld. De Japanners leverden de noodgebouwen. „Banda Atjeh is zo veel mooier. De stad is nu een plek om trots op te zijn. Als ik terugdenk aan de tsunami doet het pijn. Ik kom uit een arm gezin, maar nu heb ik de kans om te sporten en naar een goede school te gaan. Het is dubbel”, zegt Jannah.

Een taekwondo-demonstratie in Jannah’s lange rok die tot haar All Stars reikt is geen optie. De joggingbroek blijkt kwijt, dus blijft haar uitvoering beperkt tot een paar vuistslagen. Donkere kringen zweet staan in haar donkergrijze hoofddoek. Naast de voortdurende herinneringen aan de tsunami is één ding in Banda Atjeh nooit ver weg: Allah. Van alle nieuwe gebouwen springen de moskeeën er onmiddellijk uit. Nergens in Indonesië zijn de muren van de moskeeën zo nieuw, zo hagelwit als in Atjeh. Zelfs de azan, het oproep tot gebed, klinkt door de nieuwe speakers zuiver en melodieus.

Banda Atjeh is inderdaad niet alleen mooier dan ooit, maar ook religieuzer, zegt Abdul Rahman (22). Hij groeide op in hetzelfde weeshuis als Jannah. Net als zij kan Rahman nu dromen over een leven dat vroeger onbereikbaar was. Hij studeert om IT’er te worden. „Geloof krijgt een grotere rol en wordt dominanter”, constateert hij. Op de vraag of hij dat vervelend vindt, schudt hij verontschuldigend zijn hoofd. „Daar zeg ik liever niks over.’’

De gedeelde smart na de tsunami resulteerde in vrede tussen vrijheidsbeweging Gerakan Aceh Merdeka en de regering, na dertig jaar burgeroorlog. Het gevolg van die vrede voor jongeren als Rahman en Jannah is dat zij in Banda Atjeh een toekomst hebben. Het geld, deels investeringen in de olie- en grondstofrijke regio en deels torenhoge subsidies uit Jakarta, stroomt Atjeh binnen. Als onderdeel van het vredesakkoord verkreeg Atjeh verregaande autonomie en de vrijheid om eigen religieuze wetten te schrijven.

Een conservatieve vorm van islam speelde hier al een belangrijke rol in de zestiende eeuw, toen het sultanaat Atjeh een rijk van succesvolle en beruchte zeevaarders was. En vergeleken met conservatievere delen van het Midden-Oosten doet Atjeh aan shari’a light. Op straat tarten vrouwen het geruchtmakende verbod om wijdbeens achterop een motor te zitten. Maar dat overspel, gokken en homoseksualiteit worden bestraft met stokslagen, straffen die door een gemaskerde beul op vrijdagmiddag na het gebed worden voltrokken, is voor mensenrechtenorganisaties zorgwekkend.

Voor Jannah, Rahman en de honderdduizenden andere overlevenden lijkt het toenemende religieuze conservatisme niet meer dan een zijlijn in het plot van het afgelopen decennium. Doorgaan was het enige dat telde. Zij leven, hun vrienden en familieleden niet meer. „Ik was met vrienden door de straat aan het fietsen. Het was zondagochtend en dus rustig op de weg. Na de aardbeving, die we wel gewend zijn hier, zeiden mensen dat het water steeg. Ik vond dat grappig want het leek zo onmogelijk. Ik moest heel hard lachen, maar omdat iedereen wegrende, ging ik mee”, zegt Rahman. Het water heeft hij nooit zien stijgen. Maar toen hij een paar uur later terugkwam in zijn straat was alles platgewalst. „Overal lagen lijken.”

Jannah kwam net uit de kamar mandi, de Indonesische badkamer met een tobbe en een grote pollepel. Ze wilde vriendinnen ontmoeten op haar vrije dag. Haar moeder stond in de keuken. „Toen wij de beving voelden, gingen we midden op straat zitten, zoals vaker. Dat is veilig. Toen begon iedereen te rennen”, vertelt ze in de woonkamer van het weeshuis.

De vlakte waar Banda Atjeh op ligt, is omringd door steile en groene heuvels. ’s Ochtends hangt er mist tussen de dennenbomen. ’s Middags verdwijnen de toppen in donkere regenwolken. Vanaf de vlakte kan je altijd de heuvels zien, maar daar komen bleek op die dag voor tienduizenden mensen onmogelijk. Jannah: „Halverwege de heuvels werden wij opgeslokt door het water. Ik raakte iedereen kwijt. Uren later belandde ik in een opvangkamp van het leger.”

Het was voor de kinderen het begin van een lange zwerftocht, langs opvangkampen, matrasjes op de harde grond bij verre familie en bureaucratisch gedoe. Uiteindelijk kwamen ze in een weeshuis terecht van SOS Kinderdorpen, een van oorsprong Duitse ngo. Daarmee hadden ze geluk, want er zijn genoeg schrijnende verhalen over mishandelde wezen die jarenlang bij familieleden wonen die ze eigenlijk niet willen. Net zoals er hartverwarmende verhalen zijn over mensen die alles kwijt zijn, maar zich ontfermden over kinderen die ze niet kenden.

Op de vraag of Rahman tien jaar later terugdenkt aan het moment dat hij zijn ouders voor het laatst zag, schuift hij ongemakkelijk op zijn stoel. „Mijn vader overleed vóór de tsunami, toen ik klein was. Toen ik vluchtte was ik zo bang mijn moeder nooit meer te zien. Na uren zoeken vond ik haar. Haar jurk was aan flarden gescheurd, maar ze leefde nog”, zegt hij. Jannah vertelt: „Na een paar dagen hoorde ik van buurtbewoners dat ze mijn moeder hadden gezien. Ze was dood. Ze is in een massagraf begraven. Ik heb haar nooit meer gezien. Ik heb nu nog een foto van haar, gekregen van een kennis. Die houd ik bij mij. Een dag na de tsunami vond ik mijn vader. Ik was zo blij.”

Grote vetpot

De twee tsunamiwezen blijken dus geen echte wezen te zijn. Jannah ziet haar vader regelmatig. Na de tsunami was hij een tijd in de war. Toen woonde Jannah bij familie. Maar het gaat al jaren beter met hem. „Mensen zeggen dat hij te arm is om voor mij te zorgen. Dat klopt wel. Maar voor de tsunami waren wij al arm.”

Rahmans moeder overleed in 2012. „Wij woonden bijna twee jaar in het vluchtelingenkamp. Toen kwam er een man informeren of er kinderen naar het weeshuis wilden. Ik dacht er niet over na, maar mijn moeder stond er op. Ik was zo boos. Mijn moeder was alles was ik nog had en ze gaf mij weg. Zo voelde het. Alsof ze niet van mij hield. Zo kon ik naar een betere school, zei ze. Nu begrijp ik het.”

Ook al herhalen de bewoners van Banda Atjeh steeds weer dat de tsunami, zoals alles, Gods wil is, ze handelden pragmatisch. Mensen uit Atjeh krijg je niet klein, zeggen ze zelf. Weduwnaars die in de weken na 26 december 2004 beloofden nooit opnieuw te huwen, blijken nu een nieuwe vrouw te hebben. Bouwvakkers zeggen dat de afgelopen tien jaar een grote vetpot waren. Doen alsof je wees bent terwijl dat niet zo is, dient hetzelfde doel: je eigen toekomst veilig stellen.

Tiener Jannah en twintiger Rahman weten in ieder geval wat zij van de toekomst verlangen. Jannah wil eerst naar Zuid-Korea om van de beste guru’s taekwondolessen te krijgen. Daarna wil ze economie studeren. Rahman sleutelt de komende tijd verder aan zijn computers. Als hij zijn IT-studie heeft afgemaakt, wordt hij softwareontwikkelaar. Mooie dromen, vinden ze, die niks met 26 december 2004 te maken hebben.