Thuis zijn... is al lang niet meer wat het geweest is

Iedereen lijkt ontheemd, van de kosmopoliet tot de gelukzoeker en zelfs de ‘gewone man’, betoogt Arnon Grunberg. Maar dan lopen we het gevaar degenen die werkelijk ontheemd zijn over het hoofd te zien: degenen die geen toegang hebben tot kapitaal om zorg te kopen, of nieuwe schoenen.

foto merlijn doomernik

Zelfgekozen ballingschap is iets wezenlijk anders dan gedwongen ballingschap. Wellicht moet dat eerste zelfs geen ‘ballingschap’ worden genoemd. Laten we de zelfgekozen ballingschap niet verheerlijken, zei Ian Buruma in zijn Huizinga-lezing uit 2000, ‘De neo-romantiek van schrijvers in exil’. Buruma spreekt over „een rusteloze zwerver van de ene internationale conferentie naar de andere, een denker in vele talen, een welbespraakte voorvechter van etnische en seksuele minderheden, kortom een romantische buitenstaander”, die inderdaad weinig tot niets gemeen heeft met de vluchteling in een asielzoekerscentrum of een Afrikaan die op Gare du Nord in vuilnisbakken naar wat eetbaars zoekt.

Er is een mondiale bovenklasse ontstaan, daarop wees Buruma, die zich moeiteloos van Singapore via Dubai en Parijs naar São Paulo beweegt. Deze bovenklasse wordt misschien nog het best gesymboliseerd door architect Rem Koolhaas, die in een interview zei dat zijn favoriete plek stoel 1A in een Boeing 747 van Lufthansa was. Wie in stoel 1A van een 747 van Lufthansa over de wereld vliegt, mag net als de vluchteling die in de Middellandse Zee dreigt te verdrinken een reiziger zijn, maar daar houdt de overeenkomst ook op.

Tussen de bovenklasse die zich overal thuis meent te kunnen voelen – een ideaal dat op zichzelf geen schande is – en de (economische) vluchteling die soms uit dwingende noodzaak en met gevaar voor eigen leven de geboortegrond verlaat, bevindt zich in de Westerse wereld een middenklasse die zich bedreigd voelt door migratie, zowel door de bovenklasse als de onderste ‘onderklasse’. Deze middenklasse wordt vaak aangeduid met ‘de gewone man’. Een wat ongelukkige benaming. Er zit om te beginnen iets denigrerends in, maar tegelijkertijd wordt met deze woorden een normatieve uitspraak gedaan: wat gewoon is, is de norm, wat ongewoon is, is afwijkend en kan hooguit worden getolereerd.

Anders dan de mondiale bovenklasse, die veelal met de heden ten dagen wederom pejoratieve benaming ‘kosmopoliet’ wordt aangeduid, en anders dan de vluchteling of arbeidsmigrant – het verschil tussen die twee is vaak flinterdun –, die met de eveneens pejoratieve benaming ‘gelukzoeker’ om de oren wordt geslagen, zou de gewone man nog echt ergens thuis zijn. Hij zou nog een nauwe band hebben met het stuk aarde waarop hij woont, met de tradities van het land waarvan hij burger is.

Het onbehagen over migratie in deze tussenklasse is zo groot, omdat migratie als ondermijnend wordt gezien voor veiligheid en geborgenheid, oftewel het thuisgevoel. Waar iemand een zin begint met „Ik voel me hier niet meer thuis, want…” kun je er donder op zeggen dat die wordt vervolgd met „...er zijn hier te veel buitenlanders.” Door de vreemdeling, die het gevoel van ‘thuis zijn’ ondermijnt, dreigt de oorspronkelijke bewoner zich net zo ontheemd te voelen als de vreemdeling zelf.

Maar thuis zijn is natuurlijk al lang niet meer wat het geweest is, en wat het geweest is, zal ook gedeeltelijk een geromantiseerd verleden zijn. Waar over het verleden wordt gesproken, duikt de nostalgie nu eenmaal snel op.

Vrijwel niemand woont nog in het huis van zijn ouders, of bewerkt het land dat zijn ouders hebben bewerkt. In Nederland wonen de meeste mensen in een stad of een verstedelijkt dorp. Alleen al de Randstad telt circa zeven miljoen inwoners.

Nederland kan daarmee als één groot verstedelijkt gebied worden beschouwd. J.C. Bloem bracht de natuur hier te lande al terug tot ‘een stukje bos, ter grootte van een krant’.

Nederlanders mogen minder dan andere Europeanen geneigd zijn te emigreren, maar daaruit volgt niet automatisch dat de Nederlander een sterkere band heeft met de grond waarop hij woont. Ik vraag me zelfs af of het wonen in een stad niet onvermijdelijk gepaard gaat met ontheemding. De stad is immers een betrekkelijk anonieme verzamelplaats, een stad brengt mensen bij elkaar die niet in die stad geboren zijn, of ze nu uit een dorp tien kilometer verderop komen of uit een andere stad duizend kilometer verderop, of uit een andere buurt in die stad zelf.

In die zin heeft een stad altijd iets ‘onzuivers’; de stad is gemengd, de stad is ambigu. Vandaar ook dat juist daar altijd weer het romantische verlangen naar de natuur opduikt, die wordt gezien als het symbool van zuiverheid.

De angst voor de migrant komt eveneens voort uit het verlangen de toch al zo ‘onzuivere stad’ zo zuiver mogelijk te houden; een veranderende samenstelling van de bevolking wordt als toename van de onzuiverheid gezien.

Opmerkelijk genoeg wordt vergeten dat met de opkomst van het massatoerisme leden van de tussenklasse zelf ook migranten zijn geworden, te weten toeristen. Goed, de toerist gaat na verloop van tijd weer terug, maar veel migranten of kinderen van migranten doen dat uiteindelijk ook, al zal daar meer tijd overheen gaan dan één zomervakantie. Migranten zijn te beschouwen als werkende toeristen die een sterke band met het land van herkomst blijven houden en dikwijls terugkeren naar dat land als de situatie zich daartoe leent. Of als ze genoeg geld hebben verdiend.

In zijn dankrede bij de ontvangst van de Nobelprijs wees Patrick Modiano erop dat de stad, ook literair gezien, de plek is waar de eenling verloren gaat, zich steeds weer bedient van nieuwe identiteiten, om aan de veranderende eisen van de metropool te voldoen. Hij noemde het Londen van Dickens, het Parijs van Balzac, het Sint-Petersburg van Dostojevski.

Maar als alle stadsbewoners als ontheemden beschouwd kunnen worden, lopen we het risico de werkelijk ontheemden niet meer als zodanig te willen of kunnen zien, iets waarvoor Buruma waarschuwde. Ook als het gaat om politieke vluchtelingen zijn er gradaties. Natuurlijk kan de Iraanse dissident die uit de bovenste middenklasse uit Teheran kwam in zijn vijfkamerappartement in het zesde arrondissement van Parijs een traantje wegpinken bij de gedachte aan het Teheran van voor de revolutie. En dat gun ik hem, maar ook hij heeft nog steeds weinig tot niets gemeen met de illegaal die een paar kilometer verderop door de straten struint. De luxe vorm van ontheemding zou ik eerder Weltschmerz noemen.

Alleen wie geen vast adres heeft, wie de kans loopt door de politie te worden opgepakt en te worden uitgezet – het niet bezitten van de juiste papieren en bittere armoede gaan dikwijls hand in hand – heeft het recht zich ontheemd te voelen. De ware balling is hij die geen toegang heeft tot tot kapitaal dat hem in staat stelt medische zorg te kopen, goede advocaten in te huren en fatsoenlijk schoeisel aan te schaffen.

Ja, het is de welvaart die de effecten van ontheemding minimaliseert. Net als de metropool wordt geld als iets onzuivers gezien, omdat het ambigu is, omdat het overal heen reist, omdat het geen grenzen kent – als geld zou kunnen voelen, zou het zich beslist ontheemd voelen – maar geld zuivert juist, omdat geld haaks staat op het fundamentalisme; het relativeert alles, ook andermans en eigen onzuiverheid.