Teheran is echter dan Dubai

Mohamad Bhuyan kwam toevallig in Teheran omdat hij er werk kon krijgen, vertelt hij aan Thomas Erdbrink. Hij heeft een goede baas. „Hij is nu de belangrijkste persoon in mijn leven.”

foto newsha tavakolian

‘Ik ben dol op dit jasje dat mijn baas Farshad me heeft gegeven. Kijk eens naar die rozen en de trui eronder is ook van hem. Prachtig toch? Die blauwe schoenen? Nep-Nikes. Die heb ik zelf gekocht op het Tajrish plein hier in de buurt. Mooie kleren zijn belangrijk. Niet in Bangladesh misschien, maar hier in Iran wel.

Als ik in Teheran in de taxi stap, kijken mensen me vreemd aan. Er zijn hier weinig buitenlanders en een Bangladeshi die Farsi spreekt, dat komen mensen niet vaak tegen. Ik raak daardoor makkelijk in gesprek. Ze vragen of ik mijn familie niet mis, en van welk Iraans eten ik houd. Soms zijn ze verbaasd als ze horen dat ik ook Iraans kan koken.

Ik ben opgegroeid in een klein stadje in Bangladesh, Kishoregonj. Er gebeurt daar niet veel. Ik ben het jongste kind van zes. Drie zussen, drie broers. Mijn vader was arts. Dat wilde ik ook worden, maar in de derde klas van de lagere school begon ik al te spijbelen. Na een paar jaar adviseerde mijn vader me om in een andere stad te gaan wonen. Ik was 14. Ik ben toen in een naaiatelier gaan werken, je weet wel, zo een waar westerse kleren worden gemaakt. Ik werkte er vier jaar. Eens in de maand zocht ik mijn ouders op. Soms kwamen ze me halen, soms niet.

Mijn vader werkte ook in een andere stad. Dat is vrij normaal bij ons. We proberen allemaal geld te verdienen en soms zie je je familie dan een tijd niet. Ik heb zelf mijn ouders en zussen en broers al zes jaar niet meer gezien. Mijn vader stierf twee maanden geleden. Die zal ik dus nooit meer zien. Dat is wel pijnlijk. Nu denk ik vaker aan mijn moeder en mijn familie. Ik stuurde ze al geld, maar nu wil ik ze ook graag opnieuw zien.

Mijn neef werkte in Dubai, waar veel Bangladeshi’s wonen. Hij heeft mijn visum geregeld. Dat is niet zo heel moeilijk. Je komt om te werken, maar je kunt nooit een lokaal paspoort krijgen. Volgens mij is dat in Europa heel anders. Ik stapte op het vliegtuig naar Dubai. Ik was 18 jaar en had nog nooit gevlogen. Ik had ook geen idee wat voor land Dubai was. Ja, warm, dat wist ik wel. Bij aankomst: al die wolkenkrabbers! Het leek wel de toekomst. Op de dag dat ik aankwam was het eid-e ramadan een van de belangrijkste moslimfeesten van het jaar. Mijn eerste aanschaf was een nieuwe pinjabi-outfit, je weet wel een witte broek en een lange witte overgooier. Prachtig, ik was in de zevende hemel.

In Dubai werd ik al snel voorman en gaf leiding aan achttien andere Bangladeshi’s. Mijn taak was het inrichten van ruimtes. Het was goed werk en verdiende goed. In principe had ik het naar mijn zin in Dubai. Op een dag, twee jaar na aankomst, belde een van mijn vrienden me. Of ik niet in Teheran voor zijn baas wilde komen werken? Ik had echt geen enkel idee van Iran. Ja, Khomeini enzo, maar verder... Ik wist niets. Na wat gesprekken besloot ik te gaan. Alles was vreemd voor me, maar Teheran is een echte stad, veel echter dan Dubai.

Het huis van Farshad is prachtig. Het is een appartement en hij verzamelt moderne kunst. Mijn taak is om te assisteren met alles wat maar nodig is in het huis. In het begin was dat lastig, want ik spreek geen Engels. Om me heen hoorde ik alleen maar Farsi. Het is een prettige taal, vriendelijk voor je oren. Ik had geen andere keus dan de taal te leren.

Elke drie dagen bel ik met mijn familie, meestal via Viber. Dat is een app op je telefoon waarmee je kan chatten, maar ook gratis telefoongesprekken voeren. Nadat mijn vader overleed, gaf Farshad me een nieuwe iPhone. Dat deed hij natuurlijk om de aandacht af te leiden. Ik was echt overmand door verdriet.

Mijn vader heette Dokter Anisur Raghman Bhuyan. Toen hij stierf was hij 62. Opeens voelde Bangladesh heel ver weg. Alsof het een andere wereld was. Ik wilde daar zijn, bij mijn moeder, broers en zussen. Nu spijt het me ook dat ik geen dokter ben geworden zoals mijn vader.

Hij zei me altijd dat ik door moest leren, maar ik wilde werken. Ik was er graag geweest het laatste jaar van zijn leven. Hij was ziek, had opeens veel kwaaltjes. Drie dagen voor zijn dood heb ik hem nog gebeld. Het was een gewoon gesprek. Je weet niet dat mensen opeens dood gaan.

Zijn foto en die van mijn moeder zijn mijn belangrijkste bezittingen. Nooit had ik gedacht dat ik in Teheran terecht zou komen. In Kishoregonj dacht ik niet echt aan andere landen. Maar dingen lopen zoals ze lopen. In totaal heb ik de afgelopen zes jaar ongeveer 12.000 euro naar mijn familie gestuurd. Dat geeft me een goed gevoel. Ik draag bij aan hun levens. Ik ben er voor hen, ook al zijn ze ver weg. Ik ben de enige van de familie die in het buitenland woont en werkt. Dat is wel speciaal.

Ik heb vrienden hier in Teheran en ook vrije dagen. Dan komen we samen. Het zijn andere Bangladeshi’s die hier ook wonen. Maar Farshad is mijn beste vriend. Hij is nu de belangrijkste persoon in mijn leven. Niet alle Bangladeshi’s hebben het geluk zo’n goede baas te treffen.

Thuis ben ik de jongste, maar ik heb de grootste stappen gezet. Over twee jaar wil ik terug naar Bangladesh. Dan koop ik een huis, open een winkel. Ik wil dicht bij mijn moeder zijn, zeker nu mijn vader er niet meer is.

Of ik dit jasje dan ook aandoe in Bangladesh? Natuurlijk, waarom niet? Ik ben veranderd, eerst in Dubai en nu hier in Teheran. Dit soort ervaringen veranderen een mens, dus mij ook.”