Sporen van de mammoet in de polder

150.000 jaar geleden lag een deel van Nederland verscholen onder een dik ijspakket. De sporen uit die tijd zijn nog terug te vinden in ons landschap.

Beeld: De expo IJstijd in natuurmuseum Brabant, Tilburg.

Tuurlijk, je kunt deze Kerst glühwein drinken of eindeloos rondjes schaatsen op de kunstijsbaan. Maar voor een écht wintergevoel ga je op mammoetjacht rond Rotterdam, of maak je een gletsjertocht op de Veluwe. Want op allerlei plekken in Nederland zijn nog sporen uit vroegere ijstijden aanwezig. Sterker nog: ons landschap heeft grotendeels door ijs zijn huidige vorm gekregen.

Met de Elfstedentocht-loze winters van de laatste jaren is het lastig voor te stellen, maar 150.000 jaar geleden lag de noordelijke helft van Nederland verscholen onder een honderden meters dik ijspakket. Het was de Saale-ijstijd, waarin enorme gletsjers vanuit Scandinavië ons land binnendrongen. En ook korter geleden was het extreem koud in Nederland: tussen 115.000 en 11.800 jaar geleden was ons land in de greep van de Weichsel-ijstijd. Een ijstijd zonder zichtbaar ijs - fatsoenlijke gletsjers bereikten ons niet. Maar de ondergrond was jaarrond bevroren en het landschap was veranderd in een poolwoestijn: een barre toendra, waar steppewisenten en wolharige mammoeten het beetje groen dat er groeide gretig weggraasden. Mammoeten aten zo’n 180 kilo gras per dag, dus er bleef geen sprietje over.

Die ijstijden drukten hun stempel op het landschap. Dus wil je ervaren hoe onze oervoorouders leefden? Ga dan op ijstijdexpeditie, voor het ultieme cool-gevoel.

Mocht het nu weer een kwakkelwinter worden, troost je dan met deze gedachte: volgens sommige geologen leven we nog altijd in een ijstijd. Zij hanteren de volgende definitie: een ijstijd is een tijd waarin er ijs op de noord- en zuidpool ligt.

1. Pingo: Uddelermeer, Gelderland

Het zou de naam van een schattig oerdier kunnen zijn. Een harige voorouder van de pinguïn, met slagtanden en zwemvliezen. Maar in werkelijkheid is de pingo een doodgewone heuvel. Met een binnenkant van ijs, dat wel. In het Inuktitut, de taal van de Canadese Inuit, betekent de naam dan ook simpelweg: heuvel met een kern van ijs.

Die ijsheuvels kwamen tijdens de Weichsel-ijstijd veelvuldig voor in Nederland. Pingo’s ontstonden in de jaarrond bevroren grond (permafrost), vaak onder voormalige meren. Daar was de bodem lokaal onbevroren, maar naarmate het kouder werd, bevroor het aanwezige grondwater alsnog. Daardoor zette het uit en ontstond een ijslens, die de bodem omhoog duwde. Pingo’s konden tientallen meters hoog worden en ruim honderd meter in diameter.

Toen het na de Weichsel-ijstijd warmer werd in Nederland, smolt de binnenkant van de pingo’s. De bovenkant stortte in en er ontstond een pingoruïne: een cirkelvormig meertje met een lage wal van bodemmateriaal eromheen.

In Groningen, Friesland, Drenthe, Overijssel en Gelderland zijn veel pingoruïnes te vinden. Een beroemd exemplaar is het Uddelermeer, de favoriete visvijver van wijlen koning Willem I (1772-1843). Die ruïne was oorspronkelijk zeventien meter diep, maar is grotendeels opgevuld met sediment. Dat is interessant voor geologen en biologen, die aan de hand van fossiele plantenresten en stuifmeelkorrels kunnen zien wat er vroeger in de omgeving groeide. Hennep, bijvoorbeeld – tijdens de Gouden Eeuw werd dat geteeld om touw van te maken. Vaak worden er rond pingoruïnes vuurstenen speerpunten gevonden, want onze voorvaderen gebruikten de heuvels als uitkijkpost.

2. Stuwwal: Tankenberg, Overijssel

Nederland plat? Onzin. We hebben in ons land volop bergen. De Overijsselse Tankenberg is maar liefst 85 meter hoog! Allemaal te danken aan de gletsjers uit de Saale-ijstijd. Die ijstongen waren enorm zwaar, en door dat gewicht werd de onderliggende bodem naar voren en opzij geduwd. Op die manier ontstond rondom het uiteinde van zo’n ijslob een stuwwal: een heuvelrug die qua vorm wel iets van een croissantje wegheeft. Ook de Utrechtse Heuvelrug is een voorbeeld van een stuwwalcomplex (hoogste punt: de Grebbeberg, 52 meter), evenals de Sallandse Heuvelrug en de Veluwe. Het Oost-Veluwe stuwwalcomplex (bij Arnhem) is met zijn 110 meter de hoogste stuwwal van Nederland.

Het ijs kwam tijdens de Saale-ijstijd niet zuidelijker dan de lijn Haarlem-Utrecht-Nijmegen. Dat er rond Haarlem geen stuwwallen meer te vinden zijn, komt doordat de zeespiegel na de ijstijd steeg en de wallen geërodeerd werden. Maar in de ondergrond is nog een kleiige laag te vinden (keileem) die ontstond doordat er gletsjers over de bodem schoven. Op de locatie van Amsterdam lag een ijstong van bijna 80 meter dik: bijna zo hoog als de toren van de Amsterdamse Westerkerk.

3. Zwerfkei: Rottum, Friesland

Op zaterdagochtend 14 oktober 1972 was Winterswijk in rep en roer. Het land van boer Geesink bleek een schat te bevatten: de grootste steen ooit in Nederland aangetroffen. Een steen met menhir-proporties, ruim vier meter hoog en 40.000 kilo zwaar. Eerst zou de steen in de tuin van ‘mijnheer pastoor’ komen, meldde een geologisch tijdschrift. ‘Het zou een mooi plekje zijn, met een paar bankjes in ’t groen erom geschaard voor vrijende paartjes en keuvelende renteniers.’ Maar de vrijende paartjes hadden pech. De plaatselijke voetbalclub bestond 25 jaar en de steen kwam als monument bij de ingang van het sportveld te staan. Bijna 25 jaar had-ie de eretitel ‘grootste zwerfkei van Nederland’. Maar op 11 oktober 1996 werd in Rottum een kei van 4,7 meter lengte (44.200 kilo zwaar) boven de grond gehaald. Die kei is daarmee nog altijd de grootste van ons land. De steen is in de Saale-ijstijd losgeraakt van een 3 miljard jaar oud granietmassief in Zuid-Zweden en door het ijs naar ons land vervoerd – net als talloze andere zwerfkeien. Veel zwerfkeien worden tegenwoordig gebruikt om dijken te versterken of tuinen te versieren.

4. Mammoetkiezen: Tweede Maasvlakte, Zuid-Holland

Het klinkt niet echt als een walhalla voor de natuurliefhebber: de Tweede Maasvlakte, onder de rook van Rotterdam. Maar het strand is bijzonder populair bij fossielenzoekers. Het strandzand is namelijk afkomstig uit de Noordzee: enorme stofzuigers hebben het opgezogen van de zeebodem en opgespoten langs de kust. En met dat zand kwamen talloze mammoetkiezen, versteende hyenakeutels en botten van wolharige neushoorns mee. Hoe die fossielen op de zeebodem terechtkwamen? Tijdens de Weichsel-ijstijd stond de zeespiegel zo’n 110 meter lager dan tegenwoordig en de hele Noordzee was drooggevallen. Her en der waren meren, waar steppewisenten, mammoeten en wolharige neushoorns graag kwamen drinken. Nu en dan werden ze opgepeuzeld door een sabeltandtijger (de verre voorouder van onze huiskat). Hun afgekloven beenderen kwamen (net als de botten van overleden roofdieren) in die meren terecht en werden met klei bedekt. Toen de Maasvlakte werd opgespoten, kwamen de fossielen letterlijk boven water.