Mijn ziel zal altijd daar blijven

Ze vluchtte de grens met Thailand over met het idee dat ze daar een paar maanden zou werken, vertelt de Birmese arts Cynthia Maung aan Melle Garschagen. „Thailand is al 25 jaar mijn land.”

Cynthia Maung met een medisch studieboek uit Birma: „Het was altijd mijn droom om arts te worden.” foto taylor weidman

‘M

et alleen een tas met kleren, medische naslagwerken en een stethoscoop ben ik gevlucht door het oerwoud van Oost-Birma, naar Mae Sot, een stadje in Thailand op de grens met Birma. Het was 1988, het jaar dat de grote studentenopstand in Birma genadeloos werd neergeslagen. In Rangoon werden studenten door het leger doodgeschoten. Het hele land was onveilig voor activistische jongeren als ik. Bijna alles wat ik meenam uit mijn moederland is in de loop van de tijd verloren gegaan. Ik heb mijn Birmese identiteitskaart. Maar ik kan met die pas mijn land niet in, mijn eigen thuis. Als ik terug wil, moet ik onder een andere naam gaan. Dat weiger ik. Zolang ik niet als Cynthia Maung terug kan, zolang tienduizenden Birmezen in ballingschap niet onder hun eigen naam terug kunnen, weiger ik naar Birma te gaan.

Ergens ligt nog een stethoscoop, maar ik heb geen idee waar. Zoals je ziet, is het hier nogal druk. Jaarlijks behandelen wij 150.000 patiënten. De helft komt uit Birma naar ons toe. De gezondheidszorg in Birma is slecht. Dat is bewust. Zieke mensen zijn zwak en kunnen het leger niet bedreigen, in tegenstelling tot een gezonde en sterke bevolking. Daarom stuur ik regelmatig jonge Birmese artsen die hier praktijkervaring opdoen terug naar Birma. Zo voeren wij de strijd tegen het leger. Dat was ook mijn intentie toen ik hier kwam. Ik dacht alleen dat het een paar maanden zou duren, inmiddels is dat meer dan twintig jaar geleden.

De meeste patiënten steken illegaal de Moei-rivier tussen Thailand en Birma over om ons te bezoeken. Wij krijgen van alles: ondervoede en uitgedroogde kinderen, gezinnen met malaria, oude mannen met oogproblemen, tieners die ledematen hebben verloren door een van de duizenden landmijnen in Oost-Birma. Jaarlijks meten wij 250 slachtoffers van mijnen nieuwe ledematen aan, gemaakt in onze eigen prothesewerkplaats. De mannen die de protheses maken, hebben zelf ook benen en voeten verloren.

We krijgen ook nog steeds gewonde rebellen, en af en toe ook soldaten van het Birmese leger. Hier gaat dat wel samen, terwijl ze een paar kilometer verderop tegen elkaar strijden.

De andere helft van onze patiënten bestaat uit Birmese arbeidsmigranten. Mensen denken vaak dat zij een beter bestaan hebben dan de onderdrukte volkeren in Birma, maar vergis je niet. Als jij eindeloze dagen maakt op een Thaise garnalenboot, of in een snikheet naaiatelier zonder rechten, zonder papieren, zonder verzekering, dan heb je het minstens zo zwaar.

Mensen komen hier omdat wij iedereen gratis helpen of hen financieel steunen als ze voor serieuze operaties naar een regionaal ziekenhuis moeten. Wij zijn geen luxe ziekenhuis. Patiënten slapen op houten bedden, met soms een dunne matras. Er kan nog zo veel beter, maar wij bieden onderdak en vervoer naar de grens.

Zie je daar die monnik en die mannen die kokosbladeren verbranden in een urn? Dat is een traditioneel ritueel. Ik weet niet eens van welk Birmees volk, er zijn er zo veel, maar kijk naar de vrouwen met betraande ogen. Een van hun dierbaren is in onze kliniek gestorven en of ze nu dagen door de jungle hebben gelopen of hier in een fabriek werken, ze kunnen rustig en gepast afscheid nemen. Dit is een kliniek, maar ook een gemeenschap. Dat is voor mij belangrijk.

Als ik een object moet kiezen om mee te poseren, dan neem ik een van de medische studieboeken die ik meenam uit Birma. Het was altijd mijn droom om arts te worden. Voordat wij in Birma naar de grote stad verhuisden om betere scholing te krijgen, werkte mijn vader in zeer afgelegen dorpjes om mensen daar gezondheidszorg te brengen. Dat ideaal heb ik overgenomen.

Dat ik de beroemdste dokter van Birma genoemd word, of dat ik in een adem genoemd word met Aung San Suu Kyi – ik kan moeilijk zeggen dat ik daar trots op ben. Er moet nog zo veel gebeuren en ik maak mij grote zorgen over mijn land. Drie jaar geleden kondigde de junta aan stappen naar vrede en democratie te zetten. Mensen, zeker ook in het buitenland, zeggen dat er vooruitgang is. Ik zie het niet.

De realiteit is dat Birma een gemilitariseerd land is. In 2015 zouden vrije en eerlijke verkiezingen gehouden worden. Ik zie nauwelijks beweging van de regering om de grondwet aan te passen zodat Aung San Suu Kyi zich kandidaat kan stellen. Ik ken haar niet goed. Ik heb haar in 2012 voor het eerst ontmoet in Washington DC. Het doet pijn dat wij elkaar niet in ons eigen land kunnen treffen.

De regering zou voor de verkiezingen een landelijk staakt-het-vuren sluiten met de strijders van verschillende etnische groeperingen als de Karen, de Kachin en de Mon. Die vrede is een illusie, want het leger wil per se de grensgebieden controleren, waar zij wonen. Er zitten veel delfstoffen en de grenshandel met Thailand en China is lucratief. De zakenwereld en het leger hebben te nauwe banden. Dat zullen ze nooit opgeven. Het gevolg is oorlog en tienduizenden Birmezen in Thaise vluchtelingenkampen. Dus geen vrede en geen vrije verkiezingen: hoe kan je dan zeggen dat Birma erop vooruit gaat?

Wij krijgen regelmatig bezoek uit Europa en de Verenigde Staten. Laura Bush was hier met haar dochter. Artsen en vrijwilligers komen om te helpen. Daar ben ik heel dankbaar voor. Tegelijkertijd ben ik bevreesd voor westerse organisaties die denken te weten hoe het hier zit. Vorig jaar verlaagde Australië opeens het donorgeld dat wij ontvingen. Hun verklaring was dat Birmezen vooral geholpen moesten worden zich in Birma te vestigen en daar een leven op te bouwen. Daar wilde Australië meer geld aan besteden. Daar kan ik boos om worden: hoezo bepaalt een westerse organisatie dat het tijd is voor gevluchte Birmezen om terug te keren? Laat Birmezen zelf besluiten wanneer de tijd rijp is en blijf ons steunen zolang mensen de rivier oversteken om bij ons verzorging te krijgen.

Ik weet dat ik hier een comfortabel leven heb. Ik ben van Mae Sot gaan houden. Het is een fijn stadje waar Thailand en Birma samensmelten. Ik zie in dat mijn leven nu hier is. Maar sinds de militaire staatsgreep in Thailand is ons leven minder vrij. Van ieder overleg tussen Birmese etnische organisaties in Mae Sot willen de militairen weten wanneer het plaatsvindt. Ook willen ze weten wat wij bespreken. Zo krijg ik het gevoel dat vrijheid hier betrekkelijk is.

Ik zal altijd een tweederangsburger blijven. Ik spreek geen Thai, al leren mijn twee kinderen het wel op school. Als ik naar Sydney of Washington moet voor een prijsuitreiking, dan kost het mij ruim twee maanden om toestemming te vragen. Als ik Mae Sot uit wil, heb ik een vergunning nodig. Als ik de provincie Tak uit wil, heb ik een andere vergunning nodig. Als ik Thailand uit wil, heb ik een uitreisvisum nodig. Als ik het land weer in wil, heb ik een brief nodig. En dan heb ik het nog goed. De meeste Birmezen hebben geen documenten en zijn vogelvrij.

Mae Sot is mijn stad geworden en Thailand is al 25 jaar mijn land. Maar Birmezen, of het nu Karen, zoals ik, of Kachin of Rakhine zijn, houden van ons eigen land. Vanaf mijn kliniek is het hooguit vijf kilometer naar Birma. Mijn land is zo dichtbij. En mijn ziel zal altijd daar blijven. Daarom is het antwoord simpel: ik wil in Birma begraven worden. Maar alleen in een vrij Birma dat van alle Birmezen is. Het is verdrietig, maar dat zie ik niet gebeuren.”