Mijn land bleek op een leugen gebouwd

Net als zijn vader veinsde hij loyaliteit, maar de Noord-Koreaanse biofysicus Kim Hyung-Soo kon zijn land niet langer dienen. Hij besloot te vluchten, vertelt hij aan Oscar Garschagen. Maar toen werd hij verraden.

Kim Hyung-Soo draagt het jack waarin hij uit Noord-Korea is gevlucht en toont het enige deel van zijn postzegelverzameling dat hij kon meenemen. foto Manchul Kim

‘Tot vlak voor zijn dood heeft mijn vader, die bestuurslid was van de Arbeiderspartij, zijn diepe weerzin tegen de Grote Maarschalk Kim Sung-il en de Dierbare Leider Kim Jong-il voor mij en mijn broers verborgen gehouden. Natuurlijk deed hij dat om ons te beschermen,want zoals mijn moeder altijd zei: „vogels luisteren overdag, de ratten luisteren ’s nachts”. Mijn vader had bosbouwkunde gestudeerd in Tsjechoslowakije, hij had rondgereisd in Oost-Europa met zijn geheime geliefde Yena, van wie wij het bestaan pas later hebben ontdekt. Hij heeft altijd geweten dat wij in Noord-Korea in een leugen leefden, hij had kunnen vluchten, maar heeft dat vanwege zijn drie kinderen nooit gedaan. Een groot deel van zijn leven veinsde hij loyaliteit aan het Noord-Koreaanse communisme.

Hij leed aan diabetes, zijn linkerbeen was verrot, zijn heup was ook aangetast. Opeens, in de laatste uren van zijn leven, op momenten van grote helderheid, wees hij naar de portretten van de leiders die bij ons aan de muur hingen en zei: „Als die bedriegers aan de macht blijven, zal jij nooit in staat zijn een eervol leven te leiden. Jongen, vertrek, vertrek!”

Ik was diep geschokt, niet zozeer om wat hij zei, maar omdat hij ongeveer dezelfde ideeën had als ik. Mijn ogen waren al eerder opengegaan, maar ik durfde dat niet te vertellen. Als 17-jarige was ik uitverkoren om in Pyongyang te studeren en later als biofysicus te werken in een geheim laboratorium. Toen ik daar werkte, mocht ik tien jaar lang niet naar huis. Dat was een offer dat wij toen graag wilden brengen. We deden belangrijk werk: wij moesten speciale medicijnen en levensmiddelen ontwikkelen voor onze leider Kim Jong-il. Ik heb mij beziggehouden met celonderzoek op moleculair niveau. De ambitie was Kim Jong-il onsterfelijk te maken. In ’98 mocht ik terug naar huis en pas toen leerde ik mijn land buiten de afgeschermde wereld van de hoofdstad kennen.

Er lagen in onze stad, Huchang, lijken langs de weg. Uitgemergelde mensen die waren gestorven van de honger. Mijn oom behoorde tot een speciale groep die twee maal per dag de stoffelijke overschotten moest ophalen. Hij is korte tijd later zelf gestorven, hij was zo zwak van de honger dat hij een longontsteking niet overleefde.

Waar ik het meest geschokt door raakte waren de openbare executies die wij moesten bijwonen. Het waren executies van „landverraders” en „verdwaalden”, van „uitschot en vuilnis”. Maar het waren oude schoolvrienden, kennissen en in zes gevallen buren die levensmiddelen hadden gestolen, of gepoogd hadden te vluchten naar China. Ik zal nooit vergeten hoe in die winters de sneeuw rood kleurde.

Toen ik weer thuis kwam, waren mijn ouders ook verzwakt, zij aten gekookt gras, gemalen boomschors, krekels, sprinkhanen en kikkers. Er was na een tijd in de hele provincie geen kikker meer te bekennen.

Ik kreeg toestemming om voor hen te zorgen en een baan te zoeken in mijn geboortestad als leraar biologie. In die tijd ben ik ook begonnen met het smokkelen van insuline vanuit China om de diabetes van mijn vader te verlichten. Later smokkelde ik dvd’s, dvd-spelers, sigaretten, drank. Als partijlid en zoon van een prominente bestuurder kon ik mijn gang gaan, die worden minder in de gaten gehouden al lijden ze net zo goed honger. Bovendien, iedereen smokkelde; het was de snelst groeiende industrie van Noord-Korea in die tijd.

Via een bevriende smokkelaar kreeg ik ook een Chinese radio te pakken, waarmee je kon afstemmen op verschillende zenders. Met Noord-Koreaanse radio’s kon je maar één zender ontvangen. Met die radio luisterde ik naar de Zuid-Koreaanse radio en de Koreaanstalige Voice of America. Toen wist ik het zeker: mijn droom om eens een groot wetenschapper te worden en mijn land te dienen, zou ik nooit verwezenlijken. Ik besefte nog beter dat alles in Noord-Korea gebaseerd is op leugens. Sindsdien beschouw ik dromen als dwaasheid.

Ik wist toen ook zeker: als mijn vader is gestorven, vertrek ik. Na zijn dood heb ik nog drie jaar gewacht, want de oudste zoon moet in onze traditie verplicht drie jaar rouwen. Ik had inmiddels ook een Chinese mobiele telefoon.

Iemand heeft mij verraden, want op een februaridag werd ik vlakbij de grens gearresteerd terwijl ik aan het bellen was met een Chinees-Koreaans contact aan de andere kant van de Yalu-rivier. Ik wist meteen: dit is mijn dood, ik eindig voor een vuurpeloton. Ze vonden in mijn telefoon Chinese en Zuid-Koreaanse telefoonnummers.

Ze dachten meteen dat ik een Zuid-Koreaanse spion was. Dagenlang ben ik verhoord, ik werd geslagen met houten stokken tot mijn bewakers buiten adem raakten. Ik verloor mijn tanden, mijn neus en kaak braken, ik heb, zoals je ziet, nog steeds littekens in mijn gezicht.

Ik wist dat ik in een gebouw van de veiligheidsdienst was, een gebouw waar je levend ingaat en dood uitkomt. Er was maar een optie: ontsnappen. Ik vertelde de drie officieren die mij verhoorden dat ik thuis nog een Chinese mobiele telefoon had en voor 3.000 euro aan Chinees geld. Dat was het moment dat God besloot mij te helpen, want zij namen mij mee omdat ik hun had verteld dat mijn geheime bergplaatsen moeilijk te vinden waren. Toen ik even met een van hen alleen in mijn huis was, wist ik hem omver te stoten en via het raam te vluchten. Er was geen maan. Ons huis ligt dichtbij de Yalu, die in die tijd van het jaar altijd bevroren is. Ik was binnen een uur de grens over en had het geluk dat de Chinese wachters Nieuwjaar hadden gevierd en waarschijnlijk nog dronken waren.

Dagenlang heb ik mij aan de Chinese kant schuilgehouden in grotten en op begraafplaatsen, waar ik op graven bevroren etenswaar en mandarijnen vond, maar ook flessen baijiu; ik heb mijn leven aan die sterke drank te danken. Daar werd ik warm en moedig van. Ik heb zelfs ook kaarsen gegeten. Met behulp van de Grote Beer wist ik ongeveer in welke richting ik moest lopen om een dorp te bereiken waar veel Chinese Koreanen wonen.

Daar wilde niemand mij helpen, natuurlijk herkenden ze mij meteen aan mijn kleren en mijn zwaar gehavende gezicht als een vluchteling. Pas na tien dagen vond ik iemand die mij zijn mobiele telefoon durfde te lenen, waarmee ik mijn contacten in China en Zuid-Korea kon bellen. Mijn contacten in Zuid-Korea hebben me aan een vals paspoort en tickets geholpen, waarmee ik vanuit China rechtstreeks naar Seoul ben gevlogen. Dat is uitzonderlijk en gevaarlijk; de meeste vluchtelingen, dit jaar ongeveer 1.500, reizen via Laos en Thailand naar Zuid-Korea.

Er zijn aan Chinese zijde netwerken van helpers en bemiddelaars die je op krediet helpen en die je achteraf moet terug betalen. Mijn vlucht kostte 7.000 euro. Het wordt steeds duurder, want de bewaking is aan beide zijden van de grens streng geworden. De drie officieren die mij folterden en aan wie ik kon ontsnappen, zijn later zwaar gestraft, twee van hen zitten in een strafkamp, een is geëxecuteerd.

Ik heb ook geprobeerd mijn moeder uit Noord-Korea te halen. Aan de Chinese kant werd zij, toen zij samen met dertien anderen in een busje naar Beijing zat, verraden. Zij is in een gevangenis gestorven. Mijn vrouw en zoon heb ik wel kunnen weghalen, maar daar kan ik niet veel over vertellen zonder mensen aan de Chinese kant in grote moeilijkheden te brengen. Gelukkig worden Chinese leger- en politieofficieren slecht betaald en hebben zij met studerende kinderen hoge kosten.

Waar ik begraven wil worden, wist ik lange tijd heel zeker . Ik zal je met Google Maps de begraafplaats laten zien in mijn geboortestad.

Kijk, het derde stipje van links op de eerste rij is mijn vaders graf. Daarnaast is nog plaats. Maar de laatste tijd twijfel ik. Noord-Korea is mijn thuis niet meer en ik weet ook niet waar mijn moeder begraven is. Misschien, als Noord- en Zuid-Korea weer herenigd zijn, net als Oost- en West-Duitsland, kan ik naast mijn vader begraven worden. Mijn nieuwe droom, mijn nieuwe verlangen is hereniging. Maar als dat niet gebeurt in mijn tijd van leven dan wil ik niet terug, dan is het beter dat ik gecremeerd word en dat mijn as op zee wordt uitgestrooid.”