Kom terug, mijn land

Een jaar geleden werd het leven in Damascus voor het gezin van onderwijzeres Safa (31) ondraaglijk door de oorlog, vertelt ze aan Merijn de Waal. Zij is een van de talloze Syriërs die hun leven in handen gaven van mensensmokkelaars en als bootvluchteling Europa bereikten. Nu zit het gezin in een kamp op Malta. „Onze droom was dat onze kinderen konden studeren.”

Safa uit Syrië met haar telefoon waar een scan van haar bachelordiploma op staat. „Dat is nu mijn belangrijkste bezit.” foto Darrin Zammit Lupi

‘Mijn dochter van 12 schrijft graag poëzie. Ze kon in Syrië prachtige gedichten maken. Nu dicht ze nog steeds, maar het zijn droeve gedichten geworden. In het Arabisch klinkt het mooier, maar één zal ik proberen te vertalen:

Ik huil en ik voel me alleen.

Ik heb geen plek,

in geen enkel land.

De toekomst is gestopt.

We hebben ons land verlaten,

maar ik kan er niet aan wennen,

Ik kan het niet.

Kom terug, mijn land.

Als je terugkomt,

zal ik weer lachen.

Ons huis was al beschadigd door de bommen, toen we weggingen uit Damascus. Het bedrijf van mijn man was geplunderd door militairen van het regeringsleger en in brand gestoken. Hij is ingenieur en heeft een fabriek voor plastic lichtschakelaars. Dat tuig stal alles om het door te verkopen. Ze bedreigden hem via de telefoon: hij moest het niet wagen ergens te gaan klagen. Een ondernemer die op hetzelfde terrein een bedrijf had, deed dat wel. Hij werd vermoord.

Ik werkte als lerares op een basisschool. We hebben drie kinderen: van 14, 12 en 8. Twee jongens en een meisje. De laatste maanden durfde ik ze niet meer mee te nemen naar mijn school. Dat werd te gevaarlijk.

In mei 2013 reden we naar Beiroet, in Libanon. Daar verkochten we de auto en namen het vliegtuig naar Kairo. Ik vond Egypte verschrikkelijk. Egyptenaren zijn echt anders dan Syriërs. Ze hebben een andere mentaliteit. En ze begonnen ons daar steeds meer te haten. Het werd onveilig. Voor mijn man was er alleen slecht betaald werk, niet genoeg om van te leven. Het onderwijs was slecht: slechte leraren, slechte gebouwen.

Ik wilde niet dat mijn kinderen in Egypte zouden moeten opgroeien. Ook na mijn huwelijk ben ik blijven studeren. Ik heb een academische graad in Arabische cultuur en als ingenieur.

We hebben het een jaar en drie maanden in Egypte uitgehouden. We wilden niet naar een van de vluchtelingenkampen in Libanon of Jordanië. Daarom besloten we naar Europa te gaan. Ik heb vrienden die al in Zweden en Duitsland zijn. Daar kunnen mijn kinderen naar school. Ze willen heel graag een tweede taal leren. Sowieso weer iets leren.

Toen hoorden we van de mogelijkheid om vanuit Egypte met de boot naar Italië te gaan. Dat had ook vanuit Libië gekund. Die route gebruiken de meeste Syriërs die over zee naar Europa gaan. Maar Libië is ook een gevaarlijk land geworden. Vanuit Egypte is het langer varen, maar we waagden het erop. Met ongeveer 300 mensen gingen we aan boord van de vissersboot, de helft Syriërs, de rest vooral Palestijnen en Irakezen. Mijn man en ik betaalden allebei 2.000 euro. De kinderen mochten gratis mee. We moesten zelf eten, water en reddingsvesten meebrengen.

Aan boord was het verschrikkelijk. Het was veel te klein, de kinderen moesten op een vieze vloer slapen. Mensen werden ziek en braakten daar. Water kwam naar binnen. Op het dek verbrandde je in de zon. ’s Nachts moest steeds iemand wakker blijven om te zorgen dat je drinken niet gestolen werd. Dat gebeurde uiteindelijk toch. De laatste vier dagen hadden we niks meer.

Om de twee dagen werden we overgezet op een andere boot. Steeds slechtere boten. Het was de eerste keer dat we deze oversteek probeerden te maken. Ik zou het nooit meer opnieuw doen. Gekkenwerk!

Na een week werden we opgemerkt door een groot vrachtschip. Dat nam ons aan boord. We vroegen de kapitein of hij ons naar Italië zou brengen. Hij zei van wel. Maar hij loog, want hij bracht ons uiteindelijk naar Malta.

Niemand van ons wilde naar Malta. Vanuit Italië kan je makkelijk doorreizen naar andere landen. Malta wil ons niet en wij willen Malta niet, maar toch zitten we sinds eind augustus in dit opvangcentrum. Het is half open, overdag kunnen we naar buiten, maar er is hier niks. Aanvankelijk waren er nog veel meer Syriërs, maar ze gaan beetje bij beetje weg. Ook wij hebben al geprobeerd te ontsnappen. Met valse paspoorten en identiteitskaarten, zoals iedereen.

We betaalden voor elke pas 300 euro. Finse of Hongaarse waren het, geloof ik. Plus 200 euro voor het vliegticket naar Catania [op Sicilië]. Maar het waren passen van slechte kwaliteit. Wat wil je ook voor 300 euro? De politie pikte ons er op de luchthaven uit en stuurde ons terug. Mijn man werd gearresteerd. Hij moest zijn vingerafdrukken laten afnemen, anders zou hij maanden vastzitten, dreigden ze. Hij wilde niet. Als je in een land je afdrukken geeft, dan moet je [volgens Europese regels] daar ook asiel aanvragen. Ze dwongen hem uiteindelijk door zijn hand te pakken en op de scanner te duwen.

De politie heeft al onze papieren ingenomen. Die krijgen we pas terug als de hele familie haar afdrukken geeft, zeggen ze. Daarom wil ik ook niet herkenbaar op de foto of met mijn volledige naam in de krant. Dat zou ons problemen kunnen opleveren als we hier ooit wegkomen.

We willen de wet niet overtreden. Maar we willen kunnen reizen. Naar een gewoon land, waar de kinderen naar school kunnen. Ze vervelen zich. Mijn oudste is heel slim. Toen het nog vrede was, vond hij zelf dingen uit, door met draadjes en batterijen iets in elkaar te knutselen. En kijk naar de knieën van mijn jongste zoon. Zie je die schaafwonden, die helen niet goed, want het is hier altijd vies. Al die vliegen die hier rond onze cabines zoemen.

Ik heb bijna niks uit Syrië bij me. We konden amper bagage meenemen op de boot. Behalve onze telefoons heb ik niks. Zelfs een belangrijk document als mijn bachelor-diploma heb ik moeten achterlaten bij een kennis in Egypte. Ik heb nog een scan op mijn telefoon staan, nu mijn waardevolste bezit.

In Syrië hadden we het voor de oorlog goed. We hadden geld. Het bedrijf van mijn man groeide snel. We behoorden tot de rijkere middenklasse. Ik hield van leren en van koken. Onze belangrijkste droom was dat onze kinderen konden gaan studeren.

Wij wilden nooit oorlog. Islamitische Staat, het Vrije Syrische Leger, het regeringsleger, Hezbollah, allerlei groepen. Wij steunden er geen een. We willen een Syrië zoals het was voor de oorlog, maar dan zonder Assad. Een Syrië met goede mensen.

Nu trekt iedereen weg. Syrië raakt leeg. Ik hoop dat ik ooit zal kunnen terugkeren naar mijn land. Ik zou daar begraven willen worden. Maar de komende jaren zie ik het er niet van komen dat we terug kunnen. We waren rijk, maar nu zijn we zo arm.”