Jaren vol geknutsel na een bezoekje aan Circus Sarrasani

Bob Schelfhout raakte in 1931 in de ban van Sarrasani en bouwde een 15 jaar lang aan een miniatuur van het circus.

Materialen voor zijn model van Circus Sarrasani verzamelde Bob (Andreas) Schelfhout vooral in huis. Foto’s Simonis & Buunk

Het is tien uur ’s ochtends. Tijd voor de probe, de generale repetitie in het circus. In de piste oefent circusdirecteur Hans Stosch zijn leeuwenact. Buiten de tent staan olifanten klaar voor een komisch nummer. Op een van de groen-witte woonwagens zit een ontsnapte baviaan.

Het legendarische Circus Sarrasani is weer in Nederland neergestreken, op schaal. In het kader van het Nationaal Circusjaar staat in het Fischerhuis van kunsthandel Simonis & Buunk in Ede momenteel een tot in detail uitgewerkte miniatuur. Het model van 2,5 bij 2,5 meter is het levenswerk van de Nederlandse circusartiest Bob (Andreas) Schelfhout (1916-1999), die na een bezoek in 1931 in de ban raakte van Sarrasani. Het handwerk werd na de oorlog gekocht door een Zwitserse orgelbouwer, maar kwam onlangs weer in het bezit van Bobs zoon, Andreas Schelfhout (1939), die er als kind mee gespeeld had.

Bob Schelfhout bouwde levensecht de reistent met vier masten van het circus na, inclusief de bijbehorende oosterse houten façade, wagens en dierententen. Op zijn hoogtepunt telde Sarrasani volgens Bobs zoon zo’n vierhonderd dieren, waarvan de wilde exemplaren door de circusdirecteur zelf in Afrika werden gevangen. In de exotentent zijn nu onder meer giraffes en dromedarissen te zien. Ook beroemde artiesten maken hun opwachting. Zo oefent in het chapiteau Denise Cancel haar koorddansact, zonder vangnet. Een gewoonte die haar in 1943 fataal zal worden. In de wachttent staat hogeschoolrijder Otto Schumann klaar met vijf paarden. Zichzelf beeldt Schelfhout af met zijn geit Miss Blanche en ezel Joke, waarmee hij als tiener in zijn tuin optrad, voor hij bij Circus Strassburger groot zou worden als berijder en paardendresseur.

Materialen voor zijn model verzamelde Bob vooral in huis. „Voor het tentdoek gebruikte hij de hoes van een matras, voor de wielen dam- en sjoelschijven. Hij zaagde de houten spijltjes uit de wasrekjes van zijn moeder voor de tentmasten”, vertelt Andreas junior. Alleen de ruim honderd figuurtjes en dieren werden gekocht bij een speelgoedwinkel. „Met zijn zakgeld spaarde hij ze bij elkaar, een of twee per week.”

De liefde voor het circus kreeg Bob mee van zijn vader Lodewijk Schelfhout (1881-1943), de modernistische schilder die veel pierrots schilderde. In het Fischerhuis worden enkele van Lodewijks aquarellen getoond. In andere kamers hangt een collectie Hollandse winters van Andreas Schelfhout (1787-1870), de bekende voorvader van Bob. De meeste schilderijen zijn te koop. Net als het circus zelf. „Ik heb niet voldoende plaats om het altijd op te stellen en in kisten heeft niemand er wat aan”, zegt Andreas Schelfhout. „Ik wil dat er mee gespeeld wordt.”