Ik schilder het leven dat ik niet heb

Amerika leek in Guatemala het beloofde land, vertelt Domingo Sebastian aan Guus Valk. Hij is een van de talloze kinderen die illegaal de grens overstak en nu in juridisch niemandsland woont.

Niets had ik meegenomen uit Guatemala. Daarom ben ik hier bijna dwangmatig gaan verzamelen. Ik spaar alles wat ik vind. foto scott lewis

‘Als je vertrekt uit je geboorteland, moet het pijnloos en snel zijn. Toen mijn opa en oma op een dag zeiden dat ik moest vertrekken, op zoek naar Amerika, besloot ik niets mee te nemen. Geen foto’s, geen speelgoed, geen boek. Je moet je omdraaien en weglopen, was me verteld. Ik was zestien, en had nog nooit gereisd. Ik wist niet dat het zo niet werkt.

Ik heb een rare verhouding met het weer. Hier, in Philadelphia, is het elke dag anders. Vandaag is het koud, en het motregent. Morgen gaat het sneeuwen. Gisteren was het bijna lenteweer, met een prachtige zon. Dan kijk ik naar boven, en ben ik in gedachten weer in Huehuetenango, de stad in Guatemala waar ik vandaag kom. Daar is het elke dag lenteweer.

Met mijn vriend en huisgenoot Jose maak ik muziek. We verwoorden onze gedachten over Amerika, meisjes en Guatemala. Ik zet onze gedachten op muziek. We schreven laatst deze woorden:

Guatemala, mijn plek, waar de eeuwige lente slaapt /Mijn geliefde Guatemala, waar ik mijn eerste stappen zette/ De plek die me ervaring gaf, die me leidt en waarschuwt/Waar ik mijn eerste woorden sprak, en mijn generatie tot bloei kwam /Waar mijn familie woont, en ik mijn eerste liefde vond.

In Amerika maak ik deel uit van een minderheid, maar in Guatemala was dat niet anders. Ik maak deel uit van de Chuj, een klein, traditioneel Mayavolk dat een eigen taal en cultuur heeft. De Chuj zijn de afgelopen decennia zwaar onderdrukt, en zijn een van de armste gemeenschappen van Guatemala. Mijn grootouders zijn boeren in de bergen. Mijn moeder kon niet voor me zorgen, mijn vader kende ik niet. Zo belandde ik op 5-jarige leeftijd op de kleine boerderij van mijn opa en oma. Broers of zussen heb ik niet.

Toen ik zestien was, zei mijn opa dat ze niet voor altijd voor me zouden zorgen. Het was tijd dat ik mijn opvoeding zou terugbetalen. Het was hun idee dat ik naar Amerika moest gaan. Daar kon ik werken, en geld opsturen naar huis. Het plan was al helemaal voorbereid. Voor een paar duizend dollar werden coyotes betaald, mensensmokkelaars. Ik kreeg geld om eten te kopen. Papieren had ik niet.

We praatten over Amerika. Ik had een paar films gezien, en dacht dat de zon er altijd scheen, grote auto’s, en gelukkige mensen. Dat beeld was naïef. Amerika is hard, en ik moet vechten voor mijn bestaan. Maar één ding klopt wel: in Amerika zijn mensen behulpzamer dan in Guatemala. Daar werd ik aan mijn lot overgelaten, hier kom ik lieve mensen tegen.

Donderdagochtend 5 januari 2012 was de droevigste dag uit mijn leven. Ik draaide me om en liep naar de bushalte. Met de bus ging ik naar de Mexicaanse grens. Daar stak ik over, en moest ik dagenlang met een groep lopen. Ik kende niemand, en ik herinner me vooral de kou. Daarna volgde een lang stuk met de trein, en daarna een tocht naar de Amerikaanse grens. Na zes weken staken we in een rubberen bootje eindelijk de Rio Bravo over. Ik was ergens in Texas beland, geen idee waar. De grenspolitie hield me meteen aan, en stopte me in een opvangplek voor kinderen die zonder begeleiding de VS binnenkomen.

Het plan was al vanaf het begin vaag. Ik had eigenlijk geen idee wat ik zou doen. In Amerika zou ik misschien naar een oom in Colorado kunnen, of een verre achternicht in Tennessee. Ze konden me in ieder geval niet zomaar terugsturen, alleen met Mexico hebben ze daar een verdrag voor. Ik ben hier dus langere tijd, en het hangt van de rechter af of ik mag blijven. Ik kreeg nieuwe kleren, en woonde vijf of zes maanden in een opvanghuis in El Paso, aan de Mexicaanse grens. Daar zochten ze een plek voor me, zolang mijn aanvraag voor een verblijfsvergunning nog loopt. Dat werd Philadelphia, waar honderden kinderen uit Guatemala, Honduras en El Salvador terechtkomen. Ik kreeg een pan mee, en een buskaartje naar Philadelphia. „Dan kun je in ieder geval koken”, zeiden ze. Ik heb me rotgelachen. Wat moet ik met zo’n ding?

Ik zit nu op de Benjamin Franklin High School, een goede school in Philadelphia, maar ik worstel nog altijd met de taal. Ik probeer mijn plek op school te vinden, vrienden te maken, maar ik weet vaak niet precies wat ze zeggen. Eerst woonde ik in een gastgezin, dat geen Spaans sprak. Gelukkig woon iknu met Jose zelfstandig in een bovenwoning. Die is geregeld door La Puerta Abierta, de geopende deur, een instelling die zich bekommert om 75 kinderen zonder papieren. Hier maken we muziek, en hangen we op de bank, als we niet naar school gaan of werken.

Ik heb sinds ik hier woon iets met monsters en demonen. Ik denk er veel over na. Ik heb De Vloek van de Titaan van Rick Riordan gekocht, een fantasy-boek vol monsters en kwade geesten. Ik begrijp nauwelijks wat erin staat, maar hoop op die manier Engels te leren. Ik teken gevleugelde, vuurspuwende monsters. Kijk, deze heb ik vandaag gemaakt.

Niets had ik meegenomen uit Guatemala. Daarom ben ik hier bijna dwangmatig gaan verzamelen. Ik spaar alles wat ik vind. Deze zwarte reistas, daar gaat het allemaal in. Kijk, een kussentje, voor als ik later een baby heb. Een papieren gitaartje, dat ik laatst zag liggen. Een steen, die ik kreeg van een Amerikaanse vrouw. Een dominospel. Ik verzamel alles, om eens mee terug te nemen naar Guatemala. Zodat ze kunnen zien welk leven ik hier leid. Ik skype wekelijks met mijn oma, maar ze heeft geen idee van mijn leven.

Het meest dierbaar zijn mij mijn schilderijen. Ik probeer er mijn stemming in te laten zien, en de kleuren van Guatemala te gebruiken. Deze, met Maria erop, heb ik laatst gemaakt. Praten over Guatemala maakt me treurig, maar als ik schilder kan ik beter met het gemis omgaan. De schilderijen staan voor het leven dat ik niet heb. Ze gaan in de tas, zodra ik op een dag terugvlieg.

Ik ga naar school, en werk bijna elke avond als busboy. Ik maak tafels van restaurants schoon, en schenk ijswater in. Amerikanen zijn daar dol op. Mijn salaris is vier dollar per uur, en elke avond krijg ik een paar dollar fooi. Eerst dacht ik: ik besteed al mijn geld aan een muziekinstallatie, een draaitafel en microfoon, en muziek. Ik heb nu een mooie draaiset, en ik begon als DJ Bless te draaien. Met Jose begon ik Revelación Estudio, een studio waar we onze eigen muziek produceerden. Na een tijdje dacht ik: voor dromen is geen tijd. Ik ben nu gaan werken in het restaurant, en maak alleen nog muziek voor mezelf.

Ik leef zonder een echt plan. Vrienden die dromen hadden, moesten daar vaak op terugkomen. Je kunt beter stap voor stap denken. Ik zou industrieel ontwerp willen studeren. Ik ben goed in wiskunde, en kan goed tekenen. Ik zou graag korte tijd terug gaan naar Guatemala, om mijn familie te zien. Ik hoop een keer mijn oom in Colorado te bezoeken. Maar ik durf niet langer dan een jaar vooruit te kijken. Ik weet één ding zeker: ik wil mijn leven lang in Amerika blijven wonen, en ooit een gezin stichten. Of ik een vriendin heb of niet, zeg ik niet.”