Ik geloof niet meer in getallen en feiten

Francisca Wals heeft een probleem met wetenschap. Hoe verrijkend zou het zijn als we de werkelijkheid niet steeds met cijfers en berekeningen proberen te temmen?

‘Ik geloof niet in de evolutietheorie.” Een vriendin van me zegt het soms. Gewoon, om te kijken hoe mensen reageren. Ben je gek geworden, krijgt ze dan te horen. „Bi-zar.” Herkenbaar – ik zeg ook weleens zoiets. Dat ik niet in natuurkunde geloof, bijvoorbeeld. Niet in scheikunde. Niet in kosmologie.

Het probleem is niet dat ik gek ben, of dom, of hyperreligieus. Mijn vijf zintuigen werken prima, en ik ben netjes van 1994 tot 2008 naar school geweest. Het probleem is dat ik, net als de vriendin, nu ruim vijf jaar filosofie studeer.

2001, groep zeven. Ik maakte een werkstuk over het zonnestelsel, wilde astronoom worden, was door de kosmos geobsedeerd. Ik ontdek de sterrenhemel!, Waait het in de ruimte? en Echt gigantisch, dat heelal – een greep uit de boekjes die ik laatst terugvond bij mijn vader in de kast. Het ging van kwaad tot erger. Op de middelbare school koos ik de zwaarste versie van wis-, schei- en natuurkunde. Relativiteitstheorieën, atoombommen en het periodiek systeem – zó interessant. Kers op de taart was een profielwerkstuk over tijd. Newton, Lorentz, Einstein. Ik heb er eindeloos aan gezeten.

Die passie is nu weg, ik ben van mijn geloof gevallen. Zonder de god van cijfers, krachten en neutronen zal ik verder door het leven moeten. Sterker, ik heb een serieus probleem met de wetenschap.

Aristoteles, wat een sukkel

Zomer 1947, Cambridge, USA. Thomas Kuhn zit uit zijn raam te staren. Hij is natuurkundepromovendus en heeft een leuk bijbaantje: hij doceert het vak ‘geschiedenis van de natuurkunde voor niet-natuurkundigen’. Een goede aanleiding om zich eens in de ideeën van premoderne fysici als Aristoteles te verdiepen. Wat een sukkel. Die dacht dat lichte voorwerpen ‘van nature’ meer naar de hemel streven dan zware; daarom valt een veertje minder snel dan een steen. Dat had Galileo Galileï zo’n twee millennia later toch beter bekeken; die stelde dat een veertje langzamer valt omdat het door z’n vorm meer luchtwrijving ondervindt.

Aristoteles was briljant in vele opzichten, excellent natuuronderzoeker, en een slimme filosoof. Hoe kon hij dan toch op het gebied van de fysica zo stóm zijn geweest, vraagt Kuhn zich af. En dan valt het kwartje, daar achter dat raam. Aristoteles was niet dom. Hij had gewoon met een geheel ander wereldbeeld geleefd, waarin dingen van nature bepaalde neigingen bezitten.

Zo kwam Kuhn op zijn theorie die de wetenschapsfilosofie op haar grondvesten zou doen schudden. Wetenschap bestaat uit elkaar opvolgende paradigma’s, stelde hij in zijn boek The Structure of Scientific Revolutions uit 1962. Dat zijn complexen van met elkaar samenhangende theoretische overtuigingen, onderzoeksmethodes, meetinstrumenten, en wetenschappelijke waarden en normen, die samen het wereldbeeld van een wetenschapper bepalen. Zo nu en dan vindt er een revolutie plaats: het wereldbeeld kantelt, een oud paradigma maakt plaats voor een nieuw. Zo sprongen we van Aristoteles’ neigingen naar Galileï’s wrijvingskracht, van Newtons mechanica naar Einsteins ruimtetijd, en van Ptolemaeus, die de aarde in het midden plaatste, naar Copernicus, die dat deed met de zon.

Kuhns punt is dat die nieuwe paradigma’s niet ‘méér waar’ zijn dan de oude. Verschillende wetenschappers bekijken de wereld gewoon totaal anders: hun blikken, hun hypotheses, hun waarnemingen en hun meetinstrumenten zijn alle afkomstig uit het paradigma dat hen heeft gevormd. Wetenschap is dus geen optelsom van waarheden, waarmee we steeds dichter bij De Werkelijkheid komen, stelde Kuhn. Nee, wetenschap is een aaneenschakeling van constructies, ieder met een eigen wereldbeeld.

Aristoteles’ idee was inderdaad zo gek nog niet. Dingen met natuurlijke neigingen, why not? Newtons zeventiende-eeuwse zwaartekracht is minstens even mysterieus, en tegenwoordig lezen we in de wetenschapsbijlage over ‘donkere energie’. Die hebben kosmologen van nu nodig om hun theorieën overeind te houden; anders snappen we de waarnemingen van sterren die met een rotgang door het heelal heen bewegen niet.

De onopgeloste puzzels stapelen zich op

Puzzels oplossen, noemde Kuhn dat: vanuit problemen die opgeworpen worden door een theorie die voor jouw paradigma fundamenteel is op zoek gaan naar een oplossing. Alles om het paradigma in stand te houden. In dat licht zijn wetenschappers zowel vooruitstrevend als oerconservatief; ze willen nieuwe ontdekkingen doen, maar wel binnen het raamwerk van hún theorie.

Pas als het echt niet meer gaat, gooit iemand roet in het eten. De onopgeloste puzzels stapelen zich op, er is niemand die de stukjes nog bij elkaar kan krijgen, en iedereen schreeuwt door elkaar. Zijn er vier, elf, dertien of nog veel meer dimensies? 10.500 universa, of houden we het bij één? Snaren of kwantumdeeltjes? Alle hens aan dek om de boel te redden, maar de één vindt donkere materie een lachertje, een ander noemt de oerknal een scheppingsverhaal.

Het was die Thomas Kuhn die mij van mijn geloof deed vallen. En daar bleef het niet bij. De heren filosofen lieten me niet met rust. Wat eerst een ongemakkelijk wantrouwen was, sloeg om in weerzin toen ik voor het eerst Heidegger las. In de jaren twintig was hij al begonnen met het slijpen van zijn messen, vanuit zijn houten hutje aan de rand van het Duitse Schwarzwald. ‘De theoretische blik dekt de wereld af, en reduceert haar tot eenvormigheid’, schreef hij in Zijn en tijd uit 1927. Alsof ze niets met de aarde te maken hebben, zo bekijken wetenschappers de wereld als goden vanuit de hemel. ‘Een uiterst kunstmatige instelling’, vond Heidegger, eentje die de werkelijkheid geen recht doet’, bovendien. Om er haast dwangmatig vat op te krijgen, wordt ze in het keurslijf van de wiskunde en natuurkunde geduwd. Alleen dat wat in meetbare en kwantificeerbare termen beschreven kan worden, telt mee als hard feit.

De wereld als dataset

Niet oké, vond Heidegger. Die hele mysterieuze, ondoorgrondelijke wereld wordt zo door een hoogmoedige diersoort tot een paar wetten en getallen gereduceerd. De wereld als dataset die ligt te wachten om met een wetenschappelijk netje te worden gevangen. Daarmee gaat een heleboel verloren. Ontzag voor de natuur, bijvoorbeeld. Het geloof in zelfbeschikking, in waardigheid, in een vrije wil.

Ook nu zien we het gebeuren. Menselijk gedrag wordt tot statistisch feit gereduceerd, economie is een soort wiskunde geworden, en met een zogenaamd gedistantieerde blik menen we het Al Wat Is uiteindelijk wel in één theorie te kunnen vangen. ‘Toch wel erg toevallig’, mijmerde een bekende sterrenkundige eens in een interview met NRC, ‘dat wij, nog maar net als apen uit de bomen van Afrika geklommen, meteen waarnemen dat er donkere energie en donkere materie in het heelal is’. Een zeldzaam momentje van wetenschappelijk zelfinzicht, want inderdaad: wát een toeval dat de mens is voorzien van precies die zintuigen en hersencapaciteit om het Grote Al te kunnen zien, meten en bevatten.

Tuurlijk, het waait nogal hard zonder het windscherm der wetenschappelijke objectiviteit. De boel dichtplempen met wetten en feiten is wel zo makkelijk; met je paradigma onder je arm kun je alles in een hokje plaatsen, heb je in elke discussie gelijk. ‘Blijf niet hangen in de futloze verhulling van de plat en oppervlakkig geworden objectieve blik’, drukte Heidegger de mensheid op het hart. En inderdaad – hoe bevrijdend zou het zijn de werkelijkheid niet koste wat het kost met cijfers en berekeningen te willen temmen, en te accepteren dat wij allemaal onderdeel van een onverbiddelijk raadselachtig mysterie zijn. Nieuwsgierigheid is menselijk, dat zal best. Maar hoogmoed komt voor de val – en een flinke dosis bescheidenheid is gepast.