Ik ben me Russischer gaan voelen

Tijdens een bezoek aan West-Duitsland besloot de vijftienjarige violiste Natalia Prischepenko niet terug te keren naar de Sovjet-Unie, vertelt ze Hans Steketee. „Ik koos voor mijn instrument.”

Natalia Prischepenko met haar Guarneri-viool. Haar zoon speelt nu op de viool die ze uit de Sovjet-Unie meenam naar Lübeck.

‘M

ijn ouders wilden hun kinderen een toekomst geven. Daarom verhuisden we van de grens van Mongolië naar Novosibirsk. Ik was 9 jaar toen ik daar in de klas van vioolpedagoog Zakhar Bron kwam.

Mijn moeder had me tot dan toe altijd vioolles gegeven. Bron had maar een paar leerlingen. Jong maar veelbelovend. Vadim Repin was twee jaar ouder, Maxim Vengerov een jaar jonger. We wonnen prijzen en gaven concerten in Moskou en Sint-Petersburg. Na een paar jaar kreeg Bron een uitnodiging om met ons naar het klassieke muziekfestival in Lübeck te komen. West-Duitsland. Alleen de beste musici en sporters mochten toen de Sovjet-Unie uit. Wij waren het visitekaartje. Het was de zomer van 1989.

Ik stond in Brons paspoort bijgeschreven, want ik was vijftien, te jong voor een eigen paspoort. Mijn ouders verwachtten me na twee weken terug. In Lübeck viel iedereen voor ons. Aan het eind van het festival nam Bron me apart en zei: „Twee mogelijkheden: of je neemt na morgen een vlucht naar huis, maar ik blijf hier. Of: je blijft bij mij.”

De Musikhochschule had hem een baan aangeboden. Maar Bron wilde Repin en Vengerov natuurlijk niet laten gaan. Zij zouden ook blijven, zei hij. Ik heb een uur nagedacht. Niet langer. In de Sovjet-Unie was iedereen bang en wanhopig. De winkels waren leeg. Natuurlijk zou het een enorme schok zijn als mijn familie en ik gescheiden werden, voor ik weet niet hoe lang. Maar ik dacht ook: misschien kan ik zo een manier vinden om ze te helpen, ze eruit krijgen. En als ik terugga ben ik voorgoed van Bron afgesneden. Dus ik zei: ik blijf.

Bellen naar huis kon niet. Ik schreef een klein briefje aan mijn ouders, dat Brons vrouw ergens verstopte. Zij ging wel terug.

Ik was met mijn viool en een koffertje naar Lübeck gekomen. Dat was alles wat ik had. Ik koos voor mijn instrument, maar ik had ook een glimpje hoop dat ik in Europa zou kunnen werken voor geld, dat ik dan naar huis zou kunnen sturen. Maar mijn moeder verloor een kind.

Het hielp tegen de eenzaamheid dat ik Vadim en Max van kinds af aan kende, ze waren een soort broers. De KGB heeft niet geprobeerd om ons terug te krijgen, geloof ik. Ze hadden waarschijnlijk belangrijker dingen aan hun hoofd.

De eerste maanden waren zo gruwelijk zwaar. Ik wist niet dat de Muur aan het eind van dat jaar zou vallen. Mijn moeder kreeg alsnog een visum en kwam naar mij toe. Maar ze reisde elke drie maanden terug naar Novosibirsk, naar haar andere kinderen. Ze wilde me beschermen, maar ze was er ziek van. En toch, op een dag hoorde ik haar lachen. Ik wist niet wanneer dat voor het laatst was gebeurd. Toen wist ik dat ik de goede beslissing had genomen. Een jaar later, toen de Muur was gevallen, kwamen mijn vader en broers.

Ik ben dankbaar voor alle kleine dingen die ik nu heb. De bus die op tijd komt, naar de winkel gaan en iets kopen! Maar ik ben me alleen maar méér Russisch gaan voelen. Films, literatuur, muziek, alles waar ik van hou, is Russisch. Zelfs de lelijkheid. De eerste keer dat ik in Oost-Berlijn kwam, twee jaar na de val van de Muur, zag ik gebouwen zoals in Novosibirsk. In de trein moest ik al huilen. En jaren later, in Roemenië: bruinkool of slechte autobenzine, geen idee meer wat het was, maar opeens rook het als Rusland.

Ik mis ook de mentaliteit. Ik herinner me nog de eerste keer dat ik in Lübeck naar de kapper ging. Ik was zenuwachtig en zei: alstublieft niet te veel eraf, een paar centimeter. Waarop de kapper een liniaal pakte en letterlijk twee centimeter afknipte. Als Duitsers je uitnodigen voor thee of soep, is dat ook echt wat je krijgt. In Rusland maakt het niet uit hoe je het noemt, je zet gewoon alles op tafel. Ook als je daarna een maand niks te eten hebt. Maar in Duitsland: Suppe ist Suppe.

Ik heb twintig jaar in een kwartet gespeeld. Dat was als een huwelijk. Wat zeg ik, intensiever! Nu ben ik aan mijn derde leven begonnen. Lesgeven aan Russen is anders. Dat je aan een half woord genoeg hebt, op de een of andere manier gaat dat niet weg. Ik heb ook Koreaanse leerlingen. Die zijn erg beleefd en goed georganiseerd. Maar toch.

Zonder man en kinderen zou ik zo weer in Rusland willen wonen, maar ons leven is nu met Berlijn verknoopt. Mijn ouders wonen in dezelfde straat. Mijn moeder komt bijna elke dag bij ons over de vloer en toch bel ik elke dag zeker een uur met haar. Niet dat ze me zegt wat ik moet doen, ik heb mijn eigen ideeën, maar ze is zo’n goede vriend. Ik kan haar alles vertellen.

In 2001 ben ik voor het laatst in Siberië geweest. Mijn ouders organiseerden een tournee met gratis concerten in alle plaatsen waar we hadden gewoond. We speelden Brahms, iets van Schubert, Mozart. Iedereen moest huilen, mannen, kinderen. In mijn tijd kwamen grote namen op bezoek. Gidon Kremer, Rostropovich traden op in Novosibirsk. Tien jaar later was de Sovjet-Unie kapot, en er kwam niemand meer. Ik was de eerste in tien jaar.

Bron is nooit teruggekeerd. Hij nam steeds meer privéstudenten en studeerde steeds minder met ons. Ik heb geen contact meer met hem.

Ik had altijd solo gespeeld, om al die concoursen te winnen. Maar ik luisterde wel altijd naar alle anderen. Mijn moeder zei altijd: je hebt geen concurrenten, alleen mensen van wie je kunt leren. Het belangrijkste was om te spelen zoals ik me had voorbereid. Geef, en vergeet jezelf, leerde mijn moeder me. Pas na een jaar in Lübeck vroeg iemand of ik kamermuziek wilde spelen. Samen spelen, erover praten; er ging een wereld voor me open. Vanaf dat moment veranderde mijn leven. Ik was zo blij. Het was jammer hoe het met Bron was gelopen, maar dat maakte niet meer uit.

In een kwartet stelt iedereen zich iets anders voor bij de muziek. Als je eerste viool speelt in een kwartet, moet je die verbeelding leiden. Sjostakovitsj had een moeilijk leven, maar bleef in de Sovjet-Unie. Hij wist niet wat er de volgende dag kon gebeuren, en voelde toch de drang om de beste te zijn. Ik begrijp hem goed.

Mijn instrument is mijn stem. Mijn zoon speelt nu op mijn oude viool. Mijn ouders hebben krom gelegen om die af te betalen aan professor Bron. Het was een Italiaanse viool, uit Oost-Europa, wel warm, maar niet krachtig genoeg, vind ik nu. Deze Guarneri heb ik twintig jaar geleden gekregen van een lerares in Lübeck. Natuurlijk zijn er Stradivarius-violen die krachtiger zijn, maar deze heeft warmere kleuren.

Mijn man is ook violist. Hij is Syriër en woonde vanaf 1986 in Moskou. Hij had me al een keer ergens zien spelen. Jaren later was hij in Lübeck en hoorde hij iemand Paganini oefenen. Hij deed de deur open en herkende mij. Hij had mij onthouden. Een paar dagen later zei hij: als je over vijf jaar niet getrouwd bent, word je mijn vrouw. De meeste mannen deden in die tijd heel adorerend, bloemen geven enzo. Niemand praatte zo tegen mij. Vijf jaar later zijn we getrouwd.

Laatst heb ik onze kinderen meegenomen naar Rusland, naar een oom. Het was een andere wereld, vuren stoken in de tuin, ze waren zo gelukkig. Ze zeiden: nu begrijpen we waarom je het zo mist. Ik wil Rusland in mijn leven, ruiken, lachen met mensen. Ik hoef niet in Russische grond begraven te worden. Mijn kinderen spreken Russisch, Arabisch en Duits. Ik vroeg: wat voelen jullie je nu? Ze hoefden niet lang na te denken: we voelen ons Berlijners.”