Het is daar altijd beter dan hier

Ze wist niet waar ze was, toen de smokkelaar verdween, vertelt de Eritrese vluchteling Fehriwot Hailemeskel in Amsterdam aan Bas Blokker. „Als mijn kind bij mij had kunnen wonen, was ik niet weggegaan.”

Fehriwot Hailemeskel met het Koptische gebedenboekje in het Amhaars, een van de weinige dingen die ze meenam. Foto merlijn doomernik

‘In augustus heb ik een openhartoperatie ondergaan in het AMC in Amsterdam. Mijn hartkleppen waren helemaal verkleefd. Ik was vaak moe en benauwd en toen ik naar Nederland kwam, werd dat nog erger. Op de reis hierheen maakte ik me veel zorgen, dat heeft me ook geen goed gedaan, denk ik.

De operatie is goed gegaan. Mijn hartklep is vervangen. Ik voel me beter. Meestal blijf je na zo’n operatie nog een dag of vijf in het ziekenhuis, maar ik heb zeventien dagen in het AMC gelegen. Omdat de gewone medicijnen niet aansloegen, hebben ze me een ander medicijn moeten geven en mij pas ontslagen toen mijn bloedwaarden helemaal onder controle waren. Ik moet wel de rest van mijn leven dit medicijn slikken. En elke drie weken wordt mijn bloed gecontroleerd op stollingen.

Ik ben 24 jaar geleden geboren in Ethiopië uit een familie van Eritreeërs. Daar ben ik een paar jaar naar school gegaan, tot er oorlog kwam tussen die twee landen. Toen ik tien jaar was, werden alle Eritreeërs uit Ethiopië verjaagd. Mijn vader en moeder waren al eerder gevlucht en een vriend van mijn vader bracht mij naar Eritrea. Toen we daar kwamen, hebben we naar mijn ouders gezocht, maar die waren verdwenen. Ik heb ze nooit meer gezien.

Ik ben gaan wonen bij die vriend van mijn vader. Dat heeft bijna twee jaar geduurd. Ik deed het huishouden. Zijn vrouw heeft mij echt mishandeld. Het was niet vol te houden daar. De man zei me: als je niet kunt blijven, is het beter dat je naar Soedan gaat. Misschien ga je vandaar naar een ander land, of je blijft in Soedan. Het is daar altijd beter dan hier. Toen was ik twaalf.

Soedan lag ver van waar ik in Eritrea woonde. Bij de grensovergang ben ik beschoten. Een kogel heeft mij vlak bij het hart geraakt – zie je dat litteken? Toen ze in het ziekenhuis hoorden dat ik op de vlucht was naar Soedan, hebben ze mij geholpen een gezin te vinden.

Bijna tien jaar ben ik bij dat gezin gebleven. Ik heb er het huishouden gedaan. De man van dat huis heeft me verkracht en ik raakte zwanger. Toen ik zou bevallen, kwam hij naar me toe. Als mijn vrouw dit te weten komt, heb ik een probleem, zei hij. Ik moest mijn kind aan een ander gezin geven. Ik mocht niet vertellen dat het van hem was. Mij zou hij wegsturen uit Soedan.

Het was niet mijn wens om mijn kind achter te laten. Maar ik had geen keus. Het gezin dat mijn kind zou krijgen, kende ik een beetje. Zij hebben goede banden met het gezin waar ik woonde.

Ik kreeg een meisje. Arsema heet ze. Ze is nu drie. Ik had een reepje papier met het telefoonnummer van het gezin, maar dat ben ik kwijtgeraakt. Het is nu een jaar geleden dat ik voor het laatst van mijn kind heb gehoord. Iedere dag kan ik niet slapen als ik eraan denk dat ik haar heb achtergelaten.

Met een mensensmokkelaar ging ik mee in een vliegtuig uit Soedan – de vader van mijn kind had alles geregeld. Die smokkelaar liet mij mijn paspoort zien, ik heb het zelf nooit vastgehouden. Toen we landden, hoorde ik hem iets roepen over Frankrijk. We zijn in een auto gestapt en verder gereden.

Op zeker moment zei de smokkelaar: We zijn moe, ik ga even water en eten halen – en hij liep weg. Ik bleef zitten wachten. Hij is niet teruggekomen. Mensen daar hebben mij naar de politie gebracht. Ja, zei ik, ik ben met iemand gekomen, maar waar hij is? Ik weet het niet. Toen vroegen ze: weet u waar u bent? Nee, dat wist ik niet. Toen zeiden ze: je bent in Nederland. Waar ben ik? Hoe ben ik? Ik had nooit van Nederland gehoord. Het was in Eindhoven, hoorde ik later.

Ik kreeg een dagkaart voor de trein en moest naar Ter Apel, naar het aanmeldcentrum. Toen ik aankwam, zeiden mensen al tegen mij: je zult hier misschien een week blijven, maar je wordt zeker uitgezet. Toch was ik blij. Want het was de eerste keer in lange tijd dat ik me even veilig voelde. Dat was in november 2013.

Eritreeërs krijgen wel asiel in Nederland, dat was het probleem niet. Het probleem is dat ik geen documenten heb. Mijn vluchtverhaal is daarom „ongeloofwaardig”, zeggen ze. Dat geldt voor alle mensen die geen documenten bij zich hebben.

Vier weken verbleef ik in het asielzoekerscentrum in Alkmaar. Ik woonde in een kamer voor twee. Wij kregen leefgeld, we konden zelf boodschappen doen, we kookten zelf – heel goed was het daar. Ik mocht er 28 dagen blijven. Op 13 december 2013 kreeg ik een afwijzing en ben ik op straat gezet. Mijn advocaat is wel in beroep gegaan, maar dat werd ongegrond verklaard.

Met een paar kennissen uit het azc ben ik naar Amsterdam gegaan. Naar de Vluchtgarage, waar allemaal asielzoekers wonen die op straat moeten leven. Ik wist niet dat daar geen vrouwen komen. Met alle mannen daar... Alle trauma’s die ik vroeger had, zijn terug gekomen. Ik heb daar alleen maar gehuild. Toen heeft iemand me naar het Amsterdams Steunpunt voor Vluchtelingen zonder documenten (ASKV) gereden.

Van vlak voor Kerst tot 1 januari kon ik blijven in een opvang voor zieken in de Jan Evertsenstraat. Daarna ging ik naar het Noëlhuis. Daarna konden ze mij daar geen onderdak meer bieden. Het begin van het jaar was een zwerftocht. Ik ben drie, vier dagen in de daklozenopvang geweest. Om acht uur ’ s avonds naar binnen, om acht uur ’s ochtends weer naar buiten. Wat doe je dan? Ik liep over straat. Ik zat af en toe op een bankje. Steeds als ik politie zag, werd ik bang.

In de nachtopvang lig je met vijf of zes of vier mensen op een zaal. Ik probeerde altijd zo vroeg mogelijk naar binnen te gaan. ’s Avonds laat, als ik al sliep, kwamen dronken vrouwen of druggebruikers binnen. Ze probeerden me wakker te maken. Ze schreeuwen. Ze willen een praatje maken, soms vragen ze geld of een sigaret. Een keer had iemand overgegeven in de zaal en die wilde dat ik hielp schoonmaken.

Het was een nachtmerrie. Ik ben er weggegaan en ben binnengeglipt bij de tijdelijke opvang voor uitgeprocedeerde asielzoekers in de Havenstraat. Daar heb ik stiekem twee nachten geslapen. Ik heb gelogeerd bij vrijwilligsters van Vrouwen tegen Uitzetting. Later ben ik een paar weken bij Hebron geweest, een kerk in West.

Op 10 maart kwam ik bij het AMC voor controle. Dat stuurde voor mij een brief aan de gemeente. Toen kreeg ik een ziekenboegindicatie – dan mag je worden opgevangen tot je beter bent. Zo kwam ik hier, in de Aak. Dit is ook voor daklozen. Sommigen zijn verslaafd. Ik zat eerst op een kamer met een vrouw die mij heel raar behandelde. Ze bracht soms ’s avonds mannen mee naar onze kamer. Ik durfde niet te slapen, lag met al mijn kleren aan in bed.

Die vrouw is gelukkig weg en ik heb nu een kamer voor mezelf. Ik kijk een beetje tv. Ik krijg Nederlandse les van de vrijwilligsters van Vrouwen tegen Uitzetting. Ik slaap veel. Vorige week heb ik gehoord dat ik hier op 15 januari weer uit moet. Ze kunnen me nog niet vertellen waar ik daarna terechtkom.

Ik ga vaak naar de Ethiopische kerk in Amstelveen. Ik ben christelijk. Orthodox. Koptisch. Een van de weinige dingen die ik nog van vroeger heb, is dit gebedenboekje in het Amhaars.

Na de operatie heeft mijn advocaat met een brief van de cardioloog een medische procedure aangespannen om uitstel van mijn vertrek te krijgen. Een paar weken geleden kreeg ik een afwijzing.

Ik heb de brief van de medische adviseurs van de IND. Die schrijven dat ik mijn leven lang door een cardioloog moet worden gecontroleerd. Ze sommen de vier medicijnen op die ik voor mijn hart heb gekregen. Ze stellen vast dat ik in een medische noodsituatie kan belanden als ik mijn medicijnen niet krijg.

Maar de IND concludeerde dat er geen risico is als ik onder begeleiding van een psychiatrisch verpleegkundige kan reizen en voldoende medicijnen meekrijg voor de reis naar Afrika. Het maakt ze daarna niet meer uit of ik daar die medicijnen nog kan krijgen. Als ik ze niet slik, ga ik binnen een paar weken dood.

Ik ben bij het Rode Kruis tracing team geweest. Maar er is geen geboorteakte van Arsema. Ik weet alleen de plaats waar ze wonen, dat is voor het Rode Kruis niet genoeg. Als mijn kind bij mij had kunnen wonen, was ik niet weggegaan. Ik had nooit van Europa gedroomd.”