Het Antropoceen, nuttig of vooral verwarrend?

Verdient het menselijke ingrijpen op aarde niet een aparte geologische benaming? Ja, en het heet Antropoceen, zeggen sommigen. Of is dat toch niet zo’n best idee?

Had Neêrlands zeventiende eeuw minder geschitterd als niemand hem de Gouden Eeuw had genoemd? Zouden we vandaag de dag anders terugdenken aan de achttiende eeuw als niemand op het idee was gekomen om dat de eeuw van de rede te noemen? Een eeuw met Descartes, Voltaire en Rousseau, met de Encyclopédie en noem maar op, maar zonder het woord rede of Verlichting?

Denk er deze dagen eens over na. De wetenschap staat op het punt een nieuw geologisch begrip te munten dat ons gewone doen en laten zomaar in een bedenkelijk daglicht plaatst. De vraag is of het nodig is, of het ook zónder kan. En of het tij nog te keren valt.

In 2000 heeft de Nederlandse onderzoeker Paul Crutzen op een conferentie voorgesteld het huidige tijdsgewricht in geologische zin voortaan aan te duiden met de term ‘Antropoceen’. Daarmee zou in één klap duidelijk zijn dat dit tijdperk dramatisch afwijkt van het vorige en dat de mens dat op zijn geweten heeft.

Het gat was een eyeopener

Crutzen had vijf jaar eerder de Nobelprijs gekregen voor zijn briljante onderzoek naar de aantasting van de ozonlaag. Die beschermt het leven op aarde tegen gevaarlijke zonnestraling en was door industriële uitstoot van chloorhoudende stoffen bijna verloren gegaan. Het ‘systeem aarde’ was kwetsbaarder gebleken dan mogelijk leek. In het vermaarde rapport aan de Club van Rome was daarmee al rekening gehouden, maar dat had – buiten Nederland – bijna niemand gelezen. Het gat in de ozonlaag was een eyeopener. De klimaatverandering door het broeikaseffect was er ook een. Fundamentele processen op aarde bleken door de mens aangetast te worden.

Crutzen heeft zijn idee kort uitgewerkt in het tijdschrift Nature van 3 januari 2002, maar dat het hem menens was met de introductie van een nieuw geologische tijdvak (een ‘epoch’ in het Engels) wordt daar niet duidelijk. De invloed van de mens op de samenstelling van de atmosfeer is zó groot, schreef Crutzen, dat je best zou kunnen beweren dat James Watt ons met zijn stoommachine en bijbehorende fossiele brandstoffen een totaal nieuw tijdvak heeft binnengevoerd. Bij wijze van spreken, denkt de buitenstaander dan. En misschien dacht Crutzen zelf ook wel: bij wijze van spreken, zoals hij destijds ook de ‘nucleaire winter’, de moeilijke periode na een mondiale atoomoorlog, niet zo letterlijk had bedoeld.

Maar dat was buiten de waard gerekend. Zoals de ‘nucleaire winter’ subiet een eigen leven ging leiden, zo is ook de term Antropoceen onmiddellijk geconfisqueerd. Het woord voorzag in een behoefte. Nog vóór iemand hem had gedefinieerd, is het woord door een keur van wetenschappelijke disciplines in gebruik genomen. Bekijk op internet de indringende artikelen over natuur-behoud in het Antropoceen, urbanisatie in het Antropoceen, kolonialisme in het Antropoceen en economische ethiek in het Antropoceen. En zie vooral ook het baanbrekende stuk over feminisme in het Antropoceen niet over het hoofd.

Er werden in wetenschappelijke kring zo veel artikelen over het Antropoceen geschreven dat het besluit viel er een speciaal tijdschrift voor op te richten: Anthropocene. En nog een: The Anthropocene Review. En nog een: Elementa: Science of the Athropocene.

Het Holoceen is pas 11.700 jaar oud

Intussen vroegen geologen zich handenwringend af wat dan wel de typische kenmerken van het Antropoceen zouden zijn. Ze hadden het Holoceen, dat na de laatste ijstijd begint en pas 11.700 jaar oud is, eigenlijk nog wel een paar duizend jaar willen laten doorlopen. Van de weeromstuit heeft Crutzen zich verplicht gevoeld zijn nieuwe tijdvak bestaansrecht te geven en mee te denken over een sluitende definitie. Met geestverwanten heeft hij het concept in een groot aantal artikelen verder vormgegeven. Wat hem betreft begint het Antropoceen rond 1800 als de Industriële Revolutie flink op stoom is gekomen en de atmosferische concentraties CO2 en methaan voor het eerst boven de natuurlijke variatie uitstijgen. Het valt samen met het moment waarop het effect van menselijk ingrijpen in de aardkorst niet langer onderdoet voor dat van het vertrouwde geologische krachtenspel. Denk aan ontbossing en het bouwen van dijken en dammen.

Het kan natuurlijk niemand ontgaan dat de term Antropoceen ook, of vooral, is voorgesteld om ons allen op naderend onheil te wijzen en op te roepen tot gedragsverbetering. Het is niet de bedoeling dat het Antropoceen langer duurt dan strikt onvermijdelijk is. In die termen hebben geologen nog niet eerder over een tijdvak nagedacht.

Modern planetair zondebesef

En dat is nog niet alles. Zoals in een tijd van modern planetair bewustzijn en ouderwets zondebesef te verwachten viel, traden ook al gauw geleerden en leken naar voren die een scherpere definitie van het begrip Antropoceen voorstonden. Niet de uitvinding van de stoommachine, maar de menselijke macht over het vuur heeft Moeder Aarde uiteindelijk de das omgedaan, menen zij. Het Antropoceen begon al 60.000 jaar geleden toen het vuur voor het eerst op grote schaal in gebruik raakte.

Veel geologische geestdrift lijkt er niet te bestaan voor deze benadering. Niet alleen gaat de ruimere definitie ten koste van het Holoceen en slaat hij een lelijk gat in het voorafgaande Pleistoceen, hij heeft ook praktische bezwaren. Hij zadelt toekomstige geologen op met de taak resten van de eerste vuren op te sporen. Uiteindelijk wil een geoloog een tijdvak in een aardlaag kunnen aanwijzen.

Als het dan per se moet, laat het begin van het Antropoceen dan liever samenvallen met het begin van de landbouw, is in 2013 betoogd op een conferentie waarover Science op 19 april rapporteerde. De landbouw begon direct na de laatste ijstijd. Voortaan noemen we het Holoceen gewoon Antropoceen.

Ziehier de verwarrende situatie waarin de geologie door het voorstel van Crutzen is terechtgekomen. En dan blijken er ook nog geologen te zijn die het Antropoceen bij voorkeur rond 1950 of 1960 laten beginnen, omdat de bovengrondse kernproeven toen zoveel nucleaire fall-out over de aarde verspreidden. Niets wordt zo makkelijk in sedimentlagen opgespoord als radioactief materiaal.

De buitenstaander raakt hiervan in grote verwarring. Is het nu de bedoeling, vraagt hij zich vertwijfeld af, dat latere geologen uit analyses van bodemmonsters afleiden wanneer wij hier onze atoomproeven hielden? Maar het heeft toch ook gewoon in de krant gestaan? Als geologen elkaar het woord Antropoceen kunnen doorgeven, dan kunnen zij toch ook even vertellen wanneer die proeven waren? En als zij het woord Antropoceen niet meer kunnen doorgeven omdat álle, álle kennis verloren ging, zouden dan die hypothetische geologen-na-de-zondvloed nog begrijpen wat een bovengrondse kernproef was?

De buitenstaander denkt: och, was er maar nóóit over begonnen.