Column

Een goede raad

Gezellig, die feestdagen weer! Met z’n allen in de zithoek geperst, in afwachting van het wildgebraad, de kinderen verveeld voor de tv, Bing Crosby op de achtergrond („and children listen to hear sleigh bells in the snow”). En zijn opa en oma ook op bezoek – allevier, of zijn ze toch maar niet allemaal tegelijk gekomen vanwege betreurde gezamenlijke ervaringen?

Zelf bewaar ik goede herinneringen aan de logeerpartijen van mijn ouders, al voelden we ook altijd wel enige uitputting aan het einde ervan. Hoe verging het beroemde anderen? Ik heb er de dagboeknotities van enkele befaamde schrijvers op nagekeken en kwam tot de conclusie dat Kerstmis, naast vrede, ook oorlog op aarde kan betekenen.

Zo stelt Louis Paul Boon op 25 december 1959 in zijn dagelijkse ‘boontje’ in het dagblad Vooruit vast: „En van oneerlijkheid gesproken, in die ene week van Kerstdag naar Nieuwjaar wordt meer gestolen, gemoord en in brand gestoken dan in de 51 weken van Nieuwjaar naar Kerstdag.”

Daarbij moet worden aangetekend dat deze bittere opwelling bij hem ontstond toen hij rondlopend in zijn ‘halfvervroren tuin’ ontdekte dat iemand er een spar had uitgehakt.

„Dat kon toch niet het werk der spreeuwen zijn, want naar mijn weten werd er nog nooit ene gezien met een bijl in de poten. […] ‘Stel u voor’, zei ik tot mijn vrouw, ‘dat van de vijf sparren in de tuin er nu ene staat uitgehakt.’ ‘Dan staat hij er niet meer’, wees ze mij terecht, alsof het juiste taalgebruik meer belang had dan de diefstal.”

Kerstmis kan een mens ook hinderlijk op zichzelf terugwerpen, zoals de Amerikaanse schrijfster Sylvia Plath, inmiddels getrouwd met de Engelse dichter Ted Hughes, ervoer.

Zij schrijft op vrijdagochtend 26 december 1958: „Een koude tweedekerstdagochtend. Kerstmis was goed. Omdat, zoals Ted zegt, ik vrolijk was. Ik speelde, plaagde, ontving moeder hartelijk. Ik mag haar dan haten, maar dat is het niet alleen. Ik heb ook medelijden met haar en houd van haar. Tenslotte is ze mijn moeder, zoals het cliché luidt. ‘Ze kan zich niet opdringen tenzij jij toelaat dat ze zich opdringt.’ Dus mijn haat en angst komen voort uit mijn eigen onzekerheid. En die is? En wat moet ik ertegen doen?”

Niet te lang laten logeren, die moeder, lijkt mij. Franz Kafka zou dat roerend met me eens zijn geweest. Hij heeft kennelijk net zijn door hem gevreesde vader op bezoek gehad als hij op 26 december 1911 schrijft: „Wat zou ik er graag naar luisteren als hij ononderbroken over zijn jeugd en zijn ouders zou vertellen, maar dat allemaal op een blufferige en ruzieachtige toon aan te horen, is een kwelling. Voortdurend weer slaat hij zijn handen tegen elkaar: ‘Wie weet dat tegenwoordig? Wat weten de kinderen? Zoiets is niemand overkomen! Begrijpt één kind dat tegenwoordig?’ ”

Kafka was met de feestdagen liever alleen. Een jaar eerder schreef hij op Tweede Kerstdag: „Tweeënhalve dag was ik – zij het niet volmaakt – alleen, en ik ben al, zo niet veranderd, toch op weg. Mijn innerlijk ontspant zich (voorlopig maar oppervlakkig) en is bereid te bevrijden wat dieper ligt. Er begint zich een lichte orde in mijn innerlijk te openbaren en er is niets dat ik meer nodig heb, want wanorde bij kleine talenten is het allerergste.”

Het lijkt mij een goede raad voor de feestdagen en misschien wel voor het hele leven: ontspan het innerlijk.