De alien is duidelijk teleurgesteld, hij had iets nobelers verwacht

Stel, iemand van een andere planeet vraagt je om uit te leggen hoe je land in elkaar zit. Het overkwam nrc.next-redacteur Floor Rusman. We zijn veel met kleine dingen bezig.

Foto NASA/ESA

We hebben afgesproken voor de Foot Locker in de winkelstraat, maar hij is te laat. Ik leun tegen de winkelpui en vraag me af hoe hij eruitziet. Aliens kun je niet googlen, je kunt hooguit je fantasie gebruiken.

Na een half uur vraag ik me af of hij eigenlijk weet wat ‘op tijd komen’ betekent. Of hij überhaupt weet wat tijd is, en zo ja, of hij kan klokkijken. Of hij mensen de weg kan vragen – of hij weet wat links en rechts is. Of hij te voet komt, of vliegend.

Weer drie kwartier later staat hij ineens voor me. Voor een alien ziet hij er opvallend menselijk uit, hoewel van het excentrieke soort: vlinderdasje, skinny jeans, glimmende schoenen. Alleen zijn fluorescerende huid verraadt zijn afkomst van een andere planeet.

Tot mijn verrassing spreekt hij Nederlands: de afgelopen maanden heeft hij een taalcursus gedaan, vertelt hij. Sinds zijn onverwachte landing in Nederland is hij vastberaden hier te blijven en alles te leren over onze cultuur – ik moet hem daarover gaan vertellen. Ik wil eerst vragen naar het leven in de ruimte, maar hij wil naar de Febo vanwege de verhalen over krokant vlees uit de muur.

Terwijl hij met zijn lichtgevende handen enthousiast een krokettenluik openmaakt, vraagt hij naar ons politieke bestel. De planeet waar hij vandaan komt wordt geregeerd door een kongsi van superaliens die de andere aliens terroriseren, dus hij is gefascineerd door ons stemrecht, de politieke partijen, de twee Kamers. Ook van onze mensenrechten wordt hij opgewonden. Als excentrieke homofiel is hij op zijn eigen planeet continu in gevaar: ‘Iedereen die afwijkt wordt er veroordeeld tot een enkele reis ruimtesonde. Dat is hoe ik hier ben terechtgekomen, ze haten homo’s, ze schieten ze gewoon de ruimte in. Door puur toeval landde ik midden in een Nederlands asielzoekerscentrum.’

Zijn dramatische dictie en de manier waarop hij met de kroket zwaait om zijn woorden kracht bij te zetten maken het verhaal extra indrukwekkend. Ik weet even niet wat ik moet zeggen. Maar dat hoeft ook niet, de alien is ongeduldig. ‘Vertel alles over de Nederlandse democratie!’ roept hij, heen en weer springend. ‘Er zijn dus allemaal partijen met verschillende ideeën die met elkaar in debat gaan?’

‘Ja, dat is het idee. Maar vaak is het geen debat hoor, meer een moment om de eigen standpunten te herhalen. Het debat in de Kamer is niet bedoeld om de ander te overtuigen, maar om je partijstandpunt te verkopen.’

‘Oh. Waarom gaat dat zo?’

‘Omdat politiek geen debatclub is, maar een strijd om de macht. En de media gluren altijd mee: politici moeten dus permanent een paar oneliners paraat hebben om de volgende dag mee in de krant te kunnen staan.’

‘Maar die partijen zijn het toch wel met elkaar oneens?’

‘Ja, dat wel, maar minder dan vroeger. Een eeuw geleden stonden de klassieke liberalen, die een zo klein mogelijke staat wilden, nog tegenover de communisten, die streefden naar volledige gelijkheid. Nu zijn die extremen er niet meer. Na een grote oorlog die we zeventig jaar geleden hebben gehad zijn de partijen veel gematigder geworden.’

‘Maar waar gáát de politiek dan over?’

‘Er is genoeg om over te praten. Over of mensen meer zelf moeten betalen aan de thuiszorg, over het belastingstelsel, over of ambtenaren mogen weigeren homo’s te trouwen… En als het niet om de inhoud gaat, dan zijn er genoeg incidenten. Dat de leider van een van de regeringspartijen kwaad is geworden bijvoorbeeld. Of dat een oppositiepoliticus zegt dat de premier normaal moet doen.’

‘En dat vinden jullie interessant?’

‘Ja, ontzettend. In Den Haag, waar de politici werken, staat dagelijks een bende journalisten met microfoons klaar om ze te ondervragen. Het gaat hen niet alleen om de inhoudelijke discussie, maar ook om de relletjes: ze hopen dat een politicus uitvalt, zich iets laat ontglippen. En na een politieke crisis worden reconstructies gemaakt, een soort dramalogboeken, waarin elke ruzie wordt beschreven, met de maaltijden op tafel erbij vermeld als sfeerbeschrijving.’

De alien is duidelijk teleurgesteld. Hij had iets nobelers verwacht, maar ik kan moeilijk tegen hem liegen.

‘We hebben nu bijna honderd jaar democratie, en dit is wat ervan is geworden: politici bevechten elkaar in de strijd om de kiezer en vergeten daarbij oprecht te zijn. Kiezers verlangen naar stabiele leiders, maar vreten intussen de verslaggeving die voor de helft gaat over het politieke gekonkel – waardoor ze nog meer vertrouwen verliezen.’

Hij raakt nu echt geïrriteerd, ik zie het. Een ander onderwerp, snel!

‘Wat wil je doen?’ vraag ik.

‘Kunnen we naar een gaybar gaan? Die heb je hier toch?’

We gaan op weg, en omdat hij geïnteresseerd is in de gayscene vertel ik hem over Onno Hoes. Ik praat over Albert Verlinde en de roddelprogramma’s op tv.

‘Waarom kijken jullie daarnaar?’ vraagt hij.

‘Veel mensen vinden het leuk zich in het leed of de turbulentie van anderen te verdiepen, misschien omdat ze hun eigen bestaan te gezapig vinden. Het leven is nu eenmaal snel saai, snap je. We gaan naar ons werk, naar de supermarkt, naar huis, en dan kijken we tv. Als we opwinding willen, graven we in het leven van anderen. Op Facebook bijvoorbeeld, dat is een website waar iedereen elkaar in de gaten houdt. Of op nu.nl/achterklap, een website met roddels. Mensen zeggen te houden van diepgang, maar zoeken intussen naar sensatie.’

We zijn inmiddels in een gaybar, hij bestelt een margarita, drinkt hem leeg, bestelt er nog een en staart naar de mannen om ons heen. Zij staren terug, verbaasd om deze verschijning. Wanneer we ons hebben genesteld op een pluchen bank zegt de alien: ‘Je vertelt over Nederlanders alsof ze allemaal hetzelfde zijn. Is dat echt zo?’

‘Nee hoor, helemaal niet. We zijn een klein land dat ook nog eens bekendstaat als zeer gelijk, maar de verschillen zijn enorm. Je hebt de mensen die met vakantie gaan naar Rome, New York en Londen, op yoga zitten en tips uitwisselen over gezond eten. En aan de andere kant de groep die Spaanse stranden bezoekt, tuinkabouters voor de deur heeft en zijn eigen magnetron meeneemt naar de camping. En er zijn ook weer subgroepen: de linkse intellectuelen, de rechtse intellectuelen, de meta-intellectuelen. Die hebben allemaal hun eigen media en cafés waar ze elkaar treffen. Ja, het is een klein land, maar we kunnen elkaar makkelijk ontlopen.’

De alien heeft wel geluisterd, maar is ook snel tipsy geworden van zijn tweede margarita in een kwartier. Nadat hij een tijdje gefixeerd heeft gekeken naar de Lady Gaga-imitatie op het podium draait hij zijn hoofd met een theatraal gebaar naar me toe. ‘Wat moet je in Nederland doen om beroemd te worden?’

Een goede vraag, ik moet er even over nadenken. ‘Er zijn verschillende opties. Politicus worden, dus, of roddelkoning, maar daar hebben we het al over gehad. Je kunt ook een bekende wetenschapper worden die zijn boodschap kan verkopen aan het publiek. Dan word je uitgenodigd in praatprogramma’s…’

‘Wat zijn dat?’

‘Programma’s op televisie waarin bekende mensen aan tafel zitten bij een interviewer. Er zitten dan allemaal mensen door elkaar: sporters, politici, kunstenaars, wetenschappers, en die bemoeien zich met elkaars onderwerpen. Iedereen mag overal over meepraten, kennis is geen vereiste. Dat geldt trouwens voor het hele publieke debat…’

‘Maar je was aan het vertellen over die wetenschappers.’ ‘Oh ja. Nou, als je bijvoorbeeld bij zo’n praatprogramma in dertig seconden kunt vertellen waarom de Nederlandse identiteit in de Middeleeuwen is ontstaan als gevolg van de strijd tegen het water, dan word je geheid een beroemdheid. Wie het aura van de wetenschap heeft, hoeft geen kritiek te vrezen.’

‘Oké, en hoe kun je nog meer beroemd worden?’

‘Als je een grote prestatie levert, in sport of kunst bijvoorbeeld. Maar het bijzondere van deze tijd is dat zo’n prestatie niet per se nodig is. Je kunt je ook met een paar andere middelmatige mensen laten opsluiten in een huis, of je kunt daten met een bekendheid, of je kunt mensen afpersen en laten vermoorden. Mogelijkheden te over.’

‘Afpersen en laten vermoorden? Huh?’

‘Ja, het gekke aan ons land is dat we sommige typen criminaliteit – fraude, kindermisbruik, dierenmishandeling – verwerpen, maar dat we andere wel spannend vinden. Een crimineel die een biermagnaat had ontvoerd, werd nadat hij vrijkwam uitgenodigd bij een praatprogramma en kreeg een column in een weekblad.’

‘Raarrrrr.’

We gaan weer naar buiten, waar het blijkt te regenen. De alien duikt diep in zijn colbert. ‘Gebeurt dit vaak?’ vraagt hij klaaglijk, ondertussen een bezorgde blik werpend op zijn dure schoenen.

‘Ja, het regent hier regelmatig. Het weer is meestal lauw en nat; een paar keer per jaar wordt het heel koud, heel warm of heel onstuimig, en dan heeft iedereen het erover. De kranten zetten het op de voorpagina, zeker als de treinen niet rijden of het strooizout op is.’

‘Strooizout?’

‘Zout dat op gladde wegen wordt gestrooid om ongelukken te voorkomen. Soms is het op, en dan is iedereen kwaad. ‘Hoe heeft dit kunnen gebeuren’, vragen ze dan. Die vraag wordt wel vaker gesteld: als er een feesttent instort, als er XTC-doden vallen, als een nieuwe metrolijn huizen in de binnenstad verwoest. Na een ramp moeten de schuldigen worden aangewezen, een typisch Nederlands ritueel.’

De alien is lange tijd stil en begint dan ineens te praten, geëmotioneerder dan eerst.

‘Ik heb me een beetje verdiept in dit land, en het is hier fijn, met jullie homorechten en kroketten uit de muur, zoveel beter dan bij ons – waarom maken jullie je dan zo druk over dingen? Strooizout? Een ingestorte tent? Waar gaat dit over?’

‘We zijn best tevreden hoor, blijkt uit onderzoek. We geven ons leven een ruime voldoende. Maar we houden ook van zeuren: over de buren, over hondenpoep, over de regering. En elke tijd heeft zijn eigen obsessie. In de jaren negentig klaagde bijna niemand over allochtonen, en sinds 2002 zijn ineens alle Marokkanen crimineel. Straks zeuren we weer over iets anders: de robots, bijvoorbeeld. Of we worden kwaad dat onze regering niets aan de opwarming van de aarde heeft gedaan, terwijl we nu zelf twee auto’s hebben en onder de terrasverwarming zitten.’

Ik praat nog even door over onze nationale obsessies, maar de alien lijkt niet meer te luisteren. Na een tijdje zegt hij dat hij moe is. Hij wil nog meer weten, maar het wordt hem nu te veel, en hij moet de trein naar Ter Apel halen. ‘Ze vroegen daar of ik papieren had. Wat denk je zelf, wilde ik zeggen. Ik ben verdomme een lichtgevende alien!’

Ik complimenteer hem met zijn Nederlands. Hij knikt flauwtjes, knoopt zijn colbert dicht en geeft me een hand. ‘Misschien tot ziens’, zegt hij. ‘Als ik kan blijven.’ Na een korte stilte: ‘Het lijkt me een leuk land, maar ik weet niet of ik jullie ooit zal begrijpen.’