Ben ik wel geëmigreerd?

Als kind wist hij al dat hij niet in Argentinië zou blijven. In Amsterdam werd hij verliefd op Jaap en trok bij hem in, vertelt Leandro Ardiles aan Bas Blokker. „Wortelen, dat is de grote uitdaging nu.”

Leandro Ardiles met een uit Argentinië meegebrachte snijplank „voor de barbecue”. foto merlijn doomernik

‘In de winter van 2011-’12 trok ik als rugzaktoerist voor drie maanden naar Europa. De eerste maand zou ik in Amsterdam blijven, daarna zou ik verder reizen. Het was voor het eerst dat ik buiten Argentinië kwam. Wij woonden in een dorpje vlak bij Córdoba, een grote stad in het hart van het land, een hoofdkwartier van de jezuïeten. Met veel cultuur, en als je wilt ontspannen, ga je de bergen in met een stapel boeken.

Als kind wist ik al dat ik niet in Argentinië zou blijven wonen. Ik zat in de atlas altijd naar de kaarten van Australië te bladeren. Als hockeyspeler raakte ik ook geïnteresseerd in Nederland. Aan de universiteit van Córdoba heb ik een jaar lang Nederlandse lessen gevolgd. Laten we zeggen dat ik de basis kende.

Toen ik in Amsterdam uitstapte bij het Centraal Station zag ik meteen hoe anders het was dan in Argentinië. De bevolking van Argentinië is vrij homogeen. Ik verwachtte in Nederland alleen maar lange blonde mensen te zien. Maar wat een verschillende mensen zag ik hier bij het station lopen.

Jaap is niet blond. Niet meer tenminste, als kind wel. Ik ontmoette hem op de tweede dag in Amsterdam. Via een Facebookvriendin kwam ik met mensen hier in contact, die me uitnodigden voor een feestje. Daar was Jaap.

Hij nam me elke avond daarna mee naar een andere plek in de stad. We aten boerenkool met worst in de Jordaan. We gingen schaatsen op de Jaap Edenbaan – ik deed mijn best om niet te vallen en Jaap blij te maken. Zonder hem was ik ongetwijfeld in de bubbel van toeristen gebleven. De Wallen, de coffeeshops, de musea, de grachten.

Ik logeerde in Nieuw Sloten, aan het eind van tramlijn 2. Maar Jaap was zo zelfverzekerd; binnen twee weken trok ik bij hem in. Heel typerend vond ik dat. Gastvrij – zo noem je dat toch in het Nederlands? Wij zijn in Argentinië niet zo gewend aan buitenlandse gasten.

Ik heb twee eerdere relaties gehad, elk van ongeveer een half jaar. Eerst met een meisje, daarna met een jongen.

Na een maand Amsterdam trok ik verder Europa in. Af en toe kwam Jaap een weekendje over als ik in Brussel of Parijs was. De laatste week voordat ik zou terug vliegen naar Argentinië was ik weer in Amsterdam. Jaap had een diner georganiseerd voor zijn ouders en zijn zuster. Daar zouden ze mij ontmoeten – voor Jaap tevens het moment waarop hij uit de kast zou komen. Ik heb niet zo’n beste eerste indruk gemaakt, vrees ik. Ik kwam echt, echt laat. In Argentinië eten we om tien uur ’s avonds. Jaaps familie zat al om zeven uur aan tafel. Ik kwam om half negen. Misschien heb ik me onbewust wel tegen het moment verzet.

De zomer erop kwam Jaap naar Argentinië. We hebben bij mijn ouders gegeten. Veel vlees, natuurlijk. Het was minder formeel dan met Jaaps ouders. Mijn ouders weten allang dat ik van jongens houd.

We trokken door het land en gingen naar Bolivia. Toen hebben we besloten dat ik voorgoed naar Nederland zou proberen te verhuizen. Maar het is niet zo gemakkelijk om anders dan als toerist te komen.

We hebben langs twee sporen gewerkt. Mijn familie komt oorspronkelijk uit Italië. Mijn opa emigreerde toen hij vijf jaar oud was. Als Argentijnen oversteken naar Italië, kunnen ze heel gemakkelijk Italiaanse papieren krijgen. En dan zou ik vrij zijn om me overal in de EU te vestigen. Dat was plan A.

We hebben ook een partner-verblijfsvergunning aangevraagd. Omdat wij een duurzame relatie hebben, zoals het heet. Intussen ging ik met een beurs in Leiden studeren als tolk/vertaler. In maart kreeg ik een werk- en verblijfsvergunning voor vijf jaar. Ik moest wel mijn laatste examens nog doen in Córdoba. In oktober ben ik in Amsterdam aangekomen. Voorgoed. Denk ik.

Ik heb net gesolliciteerd bij een vertaalbureau, het is mijn eerste sollicitatie. Ik heb de tweede ronde bereikt. Toevallig heb ik er net met Jaap over gepraat, vannacht. Hij merkte dat ik deze week een beetje afwezig was. Het is allemaal ook zo snel gegaan, de laatste maanden. Ik kwam hier eigenlijk zonder dat ik het gevoel had dat ik geëmigreerd was.

Het voelt gek, ik weet niet goed waarom dat zo is. Ik moet zelfs nog uitvinden of ik mijn familie ga missen. We skypen. Eens per week.

Wat ik zeker zal missen, wat ik nu al mis, is spontaan langs kunnen gaan bij mijn vrienden. De enige vrienden die ik hier heb, zijn de vrienden van Jaap, de familie van Jaap. Als je als volwassene emigreert, is het lastiger mensen te leren kennen. Dat zal wel veranderen als ik ga werken. Wortelen hier, dat is de grote uitdaging nu.

Ik ga ook voor het eerst een Hollandse winter meemaken. Zonder skiën – heel gek.”