Straks staan hier een H&M en een Apple Store

Wie Cuba nog wil zien als een uniek rariteitenkabinet moet snel gaan. Met de opheffing van het Amerikaanse handels- en reisembargo maakt Cuba zich op voor een sprong in de tijd. Niet leuk voor toeristen, wel voor de Cubanen zelf.

Foto Hollandse Hoogte

De lange, blonde Alexander Tichler (27) zakt weg in de oude leren kappersstoel van een barbier in Havana. Naast hem hangt een vergeelde poster van Che Guevara. Op de laatste dag van zijn vakantie op Cuba wil de Nederlander zijn stoppelbaard op traditionele wijze laten scheren. De barbier kwispelt met een scheerkwast over Tichlers kin, zeept zijn gezicht in en vouwt een lang scheermes open. Net zoals het ging in 1959, toen de jonge revolutionair Fidel Castro aan de macht kwam en Cuba bevroren raakte in de tijd.

Het jonge stel uit Nederland

„We zijn net op tijd gegaan”, vertellen Tichler en zijn vriendin Arien Mol (26) uit Amsterdam. Ze hadden van vrienden gehoord dat Cuba al langzaam aan het veranderden was. Straks rijden de karakteristieke, pre-revolutionaire oldtimers niet meer door de straten van Havana.

En jawel: tijdens hun vakantie kwam het belangrijkste nieuws dat Cuba in ruim een halve eeuw heeft bereikt. Het grote, machtige buurland Amerika stopt met het reis- en handelsembargo dat werd ingesteld na de Castro-revolutie van 1959. Nog even en het communistische eiland wordt overspoeld met toeristen en investeerders uit de Verenigde Staten.

Cubanen zijn zonder uitzondering uitgelaten over het herstel van de betrekkingen, dat vorige week werd aangekondigd door de presidenten van de twee landen. Iedereen speculeert over de verbeteringen die gaan komen. Zoals de hordes Amerikanen die hun geld gaan uitgeven in het verarmde Cuba en de mogelijkheid om allerlei spullen te importeren die nu nog moeilijk te krijgen zijn: medicijnen, auto’s, machine-onderdelen. Het land maakt zich op voor een sprong in de tijd.

Maar in Europa is minder positief gereageerd. Straks wordt Cuba een Caraïbische kopie van Amerika. Het zoveelste land met dezelfde winkels, restaurants en koffieketens. Wie Cuba nog wil zien als een uniek rariteitenkabinet in een steeds homogenere wereld, moet snel gaan. Nu.

Ruim twee miljoen toeristen bezoeken Cuba per jaar. Een kwart daarvan zijn Canadezen, verder vooral Europeanen. Zodra Amerikanen naar het eiland mogen reizen, zal dat cijfer volgens de Cuba Policy Foundation, een Amerikaanse lobby-organisatie tegen het embargo, binnen enkele jaren verdubbelen tot vier miljoen. In Cuba wonen elf miljoen mensen.

Bij de strandplaats Varadero is vorig jaar al een nieuw hotel met een haven geopend, in anticipatie op een einde van het embargo, dat nog wacht op goedkeuring van het Amerikaanse Congres. Jachten uit de VS kunnen daar straks aanmeren, op slechts een paar uur varen vanaf Florida. Langs de noordkust zijn extra vakantie-resorts ingetekend.

Alexander Tichler en Arien Mol verwachten dat Cuba er binnen vijf jaar heel anders uitziet. Er zal geld komen om de vervallen villa’s op te knappen en veel Cubanen zullen hun roestende, ronkende oldtimers inruilen voor zuinige, moderne modellen. „Al houden ze er vast een paar op de weg voor de toeristen”, zegt Mol.

Het jonge stel is vooral bang dat de live-muziek van Cuba zal verdwijnen. Nu spelen er nog overal muzikanten, in parken, bij restaurants, op spontane straatfeesten. Salsa, son, reggaeton. Jazz-liefhebber Tichler nam zijn trombone mee en speelde mee met een band in de stad Trinidad.

De muziek komt deels door de armoede in Cuba. Door de hoge werkloosheid is er genoeg tijd om te spelen.

De Nederlanders vinden het leuk om tijdens hun vakantie in „een tijdmachine” te stappen. „Maar voor Cubanen is het vooral treurnis”, zeggen ze. Het stel is dan ook blij met het einde van het embargo. Hopelijk krijgt de economie een impuls.

„Mensen hebben niks”, zegt Tichler. Hij zag muzikanten naar de flesjes smeermiddel staren die hij had meegenomen voor de schuif van zijn trombone. „Ik heb alles weggegeven. Ik kan in Nederland zo nieuwe kopen. Zij niet.”

De barman uit België

Jean-Claude Robinet (52) kwam vijftien jaar geleden voor het eerst op Cuba. Als eigenaar van een bar in Brussel werd hij door rumstokerij Havana Club uitgenodigd voor een bezoek.

„Ik kwam met een romantische blik”, zegt Robinet. „Het bekende plaatje: de auto’s, de muziek, het feit dat je nergens op straat reclameborden ziet.”

Zijn beeld veranderde toen hij in België een Cubaanse vriendin kreeg. In vier jaar tijd gingen ze een keer of zes naar Cuba. Ze logeerden bij haar familie in Alamar, een buitenwijk van Havana waar zelden toeristen komen.

Daar zag Robinet de armoede waarin veel Cubanen leven. Maar hij ontdekte ook de charme. Het ongehaaste leven. De tijd om grappen te maken, te dansen, te flirten. „Cubanen zijn een bijzonder volk. Inventief, positief. Er is nauwelijks geweld, hoewel ze weinig hebben.”

Het zijn de paradoxen die hem grepen. Dat Cubanen aardig zijn tegen Amerikanen, ondanks de politieke spanningen met de VS. Dat ze ondernemend zijn, ondanks ruim vijftig jaar communisme.

Nu is Robinet voor het eerst in vijf jaar terug. Precies op het moment dat het einde van het embargo werd aangekondigd. Hij deelt de vreugde van de Cubanen. Buitenlanders die graag willen dat Cuba blijft zoals het is, terwijl ze in hun eigen land genieten van de luxes van het kapitalisme, vindt hij „meer dan een klein beetje hypocriet”.

Hij is niet bang dat Cuba een miniatuurversie van Amerika wordt. Daar zijn Cubanen veel te eigengereid en nationalistisch voor. „Mensen willen vooruitgang, maar ze gaan zich niet uitverkopen.”

Het gezin uit Amerika

Cynthia Johnson (59) loopt met haar man Ronnie (59) en zoon Alan (30) door het oude centrum van Havana. „Ik ben blij dat we hier zijn vóór de meutes Amerikanen”, zegt ze. Johnson lacht: het gezin komt zelf uit de Verenigde Staten, uit Chicago.

De Johnsons zijn in Cuba voor een jazz-festival. Het is een groepsreis, georganiseerd onder het mom van een culture uitwisseling. „Daardoor konden we in Amerika een speciaal visum aanvragen”, vertelt Cynthia. „Ik moet bekennen dat het festival voor ons vooral een excuus is om Cuba te leren kennen.”

Cuba wordt jaarlijks bezocht door naar schatting honderdduizend Amerikanen, ondanks het embargo. Sommigen gaan via een culturele uitwisseling, zoals de Johnsons. Maar de meesten komen illegaal. Ze reizen via Canada, Mexico of de Bahama’s naar het verboden land.

De Cubaanse douane werkt mee. Ze stempelen niet de paspoorten van Amerikanen, maar een apart papiertje. Zo ontlopen toeristen bij thuiskomst de boete die in de VS staat op ongeautoriseerd bezoek aan Cuba: 250.000 dollar en tien jaar gevangenisstraf (in de praktijk vaak 7.500 dollar en geen cel).

Ronnie Johnson verwacht dat er binnen de kortste keren vanuit allerlei Amerikaanse steden vluchten komen naar Cuba. Nu gaan er alleen chartervluchten vanuit Miami, thuisbasis van veel Cubaans-Amerikaanse immigranten. Die mochten al ongelimiteerd reizen van Obama, mits ze niet meer dan 179 dollar per dag uitgeven in Cuba.

Ronnie is bang dat Cuba de grote stromen Amerikanen niet aankan. „Het land heeft nog niet de juiste infrastructuur.” Zijn vrouw Cynthia denkt dat het wel zal meevallen. „Waarschijnlijk blijven de meeste Amerikanen braaf in de resorts aan de kust. Dat doen Amerikanen ook als ze naar Mexico gaan.”

Zoon Alan erkent dat hij voor deze reis niet veel wist over Cuba. „Maar hier heb ik gezien dat het embargo de gewone mensen hard raakt”, zegt hij. „Het was bedoeld om de regering pijn te doen, maar het is de bevolking die er onder lijdt.”

Toch stuitte de familie Johnson nergens op anti-Amerikanisme. Vader Ronnie pakt zijn camera en laat een foto zien van een Cubaanse en Amerikaanse vlag die samen van een balkon hingen. En Cynthia vertelt dat veel Cubanen hun de afgelopen dagen toeriepen: „Americanos?” Als ze dan knikten, kwam de reactie: „Yeah! Obama!”