Het orgel, het enige instrument dat een fysieke sensatie geeft

Redacteur Merlijn Kerkhof (28) laat iedere dinsdag zien wat de schoonheid van klassieke muziek is. Vandaag: geen instrument is zo mooi als het orgel.

Beeld Anna Klevan

Soms ben ik jaloers op christenen. Niet omdat ik – atheïst – zo graag in een hiernamaals zou geloven. Ik ben jaloers omdat ik niet elke zondag in de kerk zit om een fantastisch orgel te horen spelen. Want orgels zijn geweldig. Orgels zijn de allermooiste instrumenten die er zijn.

Het orgel is een buitenbeentje in de klassieke muziek. Net als bij opera heb je mensen die er alles van afweten, terwijl heel veel anderen er niks van moeten hebben. Daar is een eenvoudige verklaring voor: het orgel wordt geassocieerd met de kerk. Los van het feit dat het vaak overrompelende (en ja, soms duistere) geluid voor velen too much is, heeft het instrument gewoon een imagoprobleem. Laat mij – het is tenslotte bijna Kerst – even de pr-man zijn.

Wat ik leuk vind aan orgels, is dat ze allemaal totaal verschillend zijn. Bij violen is er na een paar eeuwen gesleutel één ideaalbeeld van vorm en klank overgebleven. Maar luister naar het achttiende-eeuwse orgel van de Waalse Kerk in Amsterdam – zo direct en verfijnd – en vervolgens naar die van de Martinikerk in Doesburg – 20ste eeuw, Duits-Romantisch en weids – en je bent in een totaal andere wereld.

Met een orgel kun je eigenlijk alles. Het heeft registers – rijen pijpen met een bepaalde klank, ingrediënten die de organist als een kok kan combineren. Veelzeggend is dat die vaak namen hebben van de instrumenten uit een orkest, zoals fluit of trompet. Geen ander muziekinstrument (synthesizers buiten beschouwing gelaten) heeft zo’n scala aan kleuren.

Maar dat is nog niet alles. Als op het orgel wordt gespeeld, geeft dat ook een fysieke sensatie – je voelt de bassen in je buik. Naar een orgel luister je dan ook niet alleen met je oren.

Gelukkig kun je in ons land in elk dorp van betekenis wel een orgel vinden. Sterker nog: er is geen land met zo’n indrukwekkende dichtheid aan goede instrumenten als Nederland. In de Gouden en Zilveren Eeuwen werden de grootste orgelbouwers naar Nederland gelokt. En nu komen organisten uit alle windstreken naar, bijvoorbeeld, de Laurenskerk in Alkmaar en de Martinikerk in Groningen om zich te verlekkeren aan die wereldberoemde machines.

Helaas lijkt die scene van orgelliefhebbers (de orgelwereld) in Nederland uit te dunnen. Door de leegloop van de kerken en de veranderende manier waarop kerkdiensten worden ingericht (waarin de muzikale omlijsting steeds vaker bestaat uit zoetsappige pop) komen minder mensen met de klank in aanraking. Dat is zorgwekkend. De orgels behoren tot het belangrijkste cultureel erfgoed dat we hebben.

Dat weet ik, dat weten de liefhebbers in hun karakteristieke geblokte overhemden, de mensen met orgelnieuws.nl als startpagina en een abonnement op De Orgelvriend. De grote vraag is hoe er een nieuw publiek kan worden bereikt. En wat moet er gebeuren met de orgels van de kerkgebouwen die worden verkocht? Ik denk er liever niet aan.

Want ik vind niets zo aangrijpend als het plenum – de volle klank – van een orgel dat met zijn boventonen alles laat trillen en tintelen. De kleine imperfecties, iedere toon die net weer anders klinkt dan de vorige. Speel één akkoord op het orgel van de Waalse Kerk en ik krijg tranen in mijn ogen, niets aan te doen. Zo mooi is het. Zelfs al zou je er zoetsappige christelijke pop op spelen.