Column

Freek…de jonge

Word je gelukkiger als je oud bent? David Brooks, columnist van The New York Times, denkt van wel. Hij schreef er laatst een interessante column over die ik in de Volkskrant las.

Boven de 50 wordt de mens steeds gelukkiger, volgens Brooks, die zijn inzicht baseert op allerlei publicaties van (neuro)psychologen en geriaters. Rond de 50 bereiken mensen een dieptepunt, maar daarna klimmen ze omhoog uit het dal om tussen de 82 en 85 jaar oud zichzelf het hoogste gelukscijfer te geven. Het zou komen door veranderingen in hun hersenen.

„Over het algemeen zijn oudere mensen meer ontspannen”, schrijft Brooks. „De last van het nadenken over de toekomst drukt minder op hen, waardoor ze meer plezier beleven aan alledaagse bezigheden in het leven.” Ze leggen zich gemakkelijker neer bij de mindere kanten van het leven, en ze hebben het vermogen netelige situaties zowel met emotie als met afstand te bezien. Ze doorzien daardoor de dingen beter dan de jonkies.

Al kort nadat ik mezelf opgelucht met dit artikel had gefeliciteerd (ik ben nog aan het klimmen naar mijn hoogste gelukscijfer!), kwamen de twijfels, die verrotte ondingen die nog bij mijn jeugd horen. Zou Brooks, of iemand uit zijn omgeving, nooit eens flink ziek zijn geweest en misschien wel gebleven? En heeft hem dat toen niet aan het denken gezet over wat hemzelf nog te wachten zou kunnen staan? Want hoe ontspannen is iemand die aan een of andere smerige kwaal lijdt? Hoe gemakkelijk legt die zich daar bij neer?

Maar daarna begon ik mezelf weer te corrigeren, misschien omdat ik toch wel heel graag op mijn 85ste dolgelukkiger dan ooit tevoren wilde zijn, overmoedig vanaf de derde verdieping langs de trapleuning naar beneden suizend om buiten een balletje te trappen met de buurjongens van 12. Misschien bedoelde Brooks wel gewoon: zit niet bij de pakken neer, doe wat je kunt zoláng je het nog kunt – de beste manier om je goed te voelen.

In dat geval had hij groot gelijk.

Wie me dat dezer dagen ook nog impliciet toevoegde, was een artiest: Freek de Jonge. Of beter: Freek…de jonge, die dit jaar 70 werd. Ik had hem al een poos niet meer in het theater gezien, misschien omdat ik er onbewust van uitging dat hij wel over zijn hoogtepunt zou heen zijn. Een deerlijke vergissing.

Freek treedt nog op met het vuur van een jonge god. Soepel bewegend, krachtig sprekend en zingend; dit laatste op muziek die voor een deel uit zijn periode als jonge cabaretier (met Bram Vermeulen) stamt. Nog belangrijker is dat zijn teksten vaak spits en geestig zijn en dat hij humor met ernst durft af te wisselen. Hij beschrijft hoe hij te lang vasthield aan zijn cynische imago en zijn identiteit pas vond toen hij verdriet durfde toe te laten. Wees gerust: in mijn papieren samenvatting klinkt veel meer psychotherapie door dan bij Freek op toneel.

Ik hoorde Kees van Kooten onlangs bij Pauw zeggen dat Wim Kan, Wim Sonneveld en Toon Hermans te lang zijn doorgegaan met optreden, maar Freek hoeft zich daar nog niets van aan te trekken: hij is in topvorm. En het publiek lijkt dat aan te voelen, want het komt weer in groten getale toegestroomd. Alle voorstellingen in het DeLaMar Theater in Amsterdam zijn uitverkocht, er zijn daar al extra voorstellingen gepland voor februari en maart.

Ik wed dat menigeen, Freek incluis, op zo’n avond een hoog gelukscijfer bereikt.